Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2021:16488
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,358 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4684
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw A. Willems. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Venezolaanse nationaliteit en is geboren op [1979] . Eiseres heeft op 25 januari 2019 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Deelname aan demonstraties;
Lidmaatschap van de oppositiepartij;
Het verrichten van politieke activiteiten;
Het hebben van een leidinggevende rol tijdens politieke activiteiten;
Bedreigd door de Colectivos.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Verder heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres
deel heeft genomen aan demonstraties, lid is/was van de oppositiepartij en dat zij politieke activiteiten heeft verricht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres is bedreigd door de Colectivos. Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiseres een leidinggevende rol heeft gehad tijdens politieke activiteiten.
Gegronde vrees en fundamentele politieke overtuiging
4. Eiseres voert aan dat zij eerder is vervolgd vanwege haar politieke overtuiging en op grond hiervan moet worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Er is volgens eiseres een rechtsvermoeden dat zij opnieuw zal worden vervolgd vanwege haar politieke overtuiging omdat de eerdere vervolging door verweerder geloofwaardig is geacht (artikel 31, vijfde lid, van de Vw). Eiseres voert aan dat zij op de lijst Tascon staat vermeld als oppositielid. Verder voert eiseres aan dat de graffiti-bedreiging geplaatst op haar woning in 2017 wel degelijk voor haar was bedoeld en dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte terugkomt op de geloofwaardigheid van deze bedreiging. Ook voert eiseres aan dat zij wel degelijk een fundamentele politieke overtuiging heeft. Verder stelt eiseres dat zij heeft gewacht met haar asielaanvraag omdat het lastig voor haar was om te accepteren dat zij niet naar Venezuela zou of kon terugkeren. Eiseres voert, onder verwijzing naar paragraaf 7.3 van het EASO rapport van augustus 2020 aan, dat ook mensen die in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, Venezuela kunnen in- en uitreizen. De stelling van verweerder dat in- en uitreizen onmogelijk is voor personen die in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten, is dus onjuist. Verder heeft eiseres in de gehoren ook nadrukkelijk aangegeven dat zij zich schuil heeft gehouden in de periodes dat zij in Venezuela was. Eiseres stelt tot slot dat zij wel degelijk een fundamentele politieke overtuiging heeft en stelt daarnaast dat de eis van een fundamentele politieke overtuiging strijdig is met het Vluchtelingenverdrag en Kwalificatierichtlijn1.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er goede gronden zijn om aan te nemen dat de door eiseres gestelde vrees niet aannemelijk is. Verweerder heeft eiseres’ lidmaatschap van de oppositiepartij en de bedreigingen in 2016 en 2017 door de Colectivos geloofwaardig geacht, maar stelt dat het door eiseres gestelde risico op vervolging op het moment van het daadwerkelijk vertrek niet aannemelijk is, ondermeer omdat niet is gebleken dat eiseres in de bijzondere negatieve belangstelling staat van de Venezolaanse autoriteiten. Verweerder heeft hiertoe mogen overwegen dat eiseres heeft verklaard in 2016 te zijn gestopt met haar politieke activiteiten. Anders dan eiseres beweert, is verweerder niet teruggekomen op de geloofwaardigheid van de graffitibedreiging. Eiseres heeft echter verklaard dat de bedreigingen in 2017 en 2016 voor haar de aanleiding waren om asiel aan te vragen in Nederland. Toch heeft zij pas één jaar en vier maanden na deze laatste bedreiging daadwerkelijk asiel in Nederland aangevraagd. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat de lange periode tussen de bedreigingen en de asielaanvraag afbreuk doet aan de door eiseres gestelde vrees. Verder heeft verweerder ter zitting verduidelijkt dat er in het bestreden besluit een kennelijke verschrijving staat en dat zij doelde op de lijsten genoemd op bladzijde 119 (en niet bladzijde 191) van het EASO rapport van augustus 2020 en niet de lijst Tascon zoals eiseres
1. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende
bescherming.
heeft aangenomen. Het is niet gebleken dat eiseres op deze lijsten staat. Anders dan eiseres beweert, heeft verweerder ook niet gesteld dat het voor opposanten onmogelijk is om Venezuela in- en uit te reizen. Verweerder heeft overwogen dat eiseres sinds 2017 Venezuela meerdere keren zonder problemen is uitgereisd en weer is teruggekeerd en dat duidt erop dat eiseres niet in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Verweerder mocht dit dan ook in haar beoordeling betrekken. Verweerder heeft verder eiseres ook mogen tegenwerpen dat ze na haar aankomst in Nederland twee maanden heeft gewacht met haar asielaanvraag. Van een vreemdeling die stelt uit vrees voor haar leven Venezuela te hebben verlaten, mag worden verwacht dat zij zich direct meldt bij de autoriteiten om bescherming te vragen. Dat dit volgens verweerder afbreuk doet aan de door eiseres gestelde behoefte aan bescherming kan de rechtbank volgen.
6. De rechtbank volgt eiseres niet voor zover zij betoogt dat de sterkte van haar politieke overtuiging niet van belang is en verweerder dit niet in haar beoordeling had mogen betrekken. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 november 2018 en 15 november 2019. In deze uitspraken wordt onder meer overwogen dat voor een geslaagd beroep op de vervolgingsgrond politieke overtuiging, de vreemdeling aannemelijk moet maken dat deze overtuiging zo essentieel is voor haar identiteit en/of morele integriteit, dat niet van haar mag worden gevraagd dat zij deze opgeeft. Indien eiseres dit aannemelijk maakt, dan mag verweerder niet van haar verwachten dat zij zich terughoudend opstelt bij het uiten van haar fundamentele politieke overtuiging in haar land van herkomst.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een fundamentele politieke overtuiging heeft. Verweerder heeft daarbij van (doorslaggevend) belang mogen achten dat eiseres in 2016 is gestopt met haar politieke activiteiten en als ingenieur bij een inspectiedienst is gaan werken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van haar politieke overtuiging een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Venezuela. De beroepsgronden falen.
Groepsvervolging of risicogroep
8. Eiseres stelt onder verwijzing naar verschillende bronnen dat er in Venezuela sprake is van groepsvervolging van opposanten van het huidige regime dan wel dat zij als risicogroep moeten worden aangemerkt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
8 Paragraaf C7/30.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
17 september 2021
.