Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-09-15
ECLI:NL:RBDHA:2021:16445
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,712 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11267
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Jonkman).
Procesverloop
In het besluit van 12 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij
[naam] ’ afgewezen. Daarnaast heeft verweerder aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Nakamya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Verzoeker komt uit Nigeria en is in 2015 naar Nederland gekomen. Hij heeft hier een asielprocedure doorlopen. Op 22 november 2016 is de asielaanvraag afgewezen en heeft verweerder een terugkeerbesluit genomen. Verzoeker heeft de afwijzing aangevochten, maar dit mocht uiteindelijk niet baten. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 december 20171 staat de afwijzing vast. Op 15 januari 2021 dient verzoeker een aanvraag in om bij zijn partner, [naam] (referente), te verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag in het bestreden besluit afgewezen.
1. ECLI:NL:RVS:2017:3457.
Bestreden besluit
2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat verzoeker geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voor vrijstelling van het zogenoemde mvv-vereiste in aanmerking komt. Daaraan legt verweerder ten grondslag dat de uitzetting van verzoeker niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in het geval van verzoeker niet onredelijk hard is. Verder heeft verweerder aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de periode van twee jaar, geldend op het moment dat verzoeker het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten.
Het mvv-vereiste en artikel 8 van het EVRM
3. Verzoeker voert aan dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat het verplicht vertrekken naar Nigeria in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ten aanzien van het familie- en gezinsleven tussen referente en verzoeker stelt verzoeker voorop dat verweerder een beschermingswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen. In het kader van de vraag of verweerder een juiste belangenafweging heeft gemaakt, merkt verzoeker op dat er objectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Nigeria uit te oefenen en dat verweerder dat onvoldoende heeft meegewogen. Volgens verzoeker kan van referente niet worden verlangd om mee te gaan naar Nigeria. Zij woont en werkt in Nederland. Zij heeft verder in Nederland een zoon ( [naam] ) van wie ook niet kan worden verwacht dat hij met haar naar Nigeria vertrekt. Ook merkt verzoeker op dat het praktisch onmogelijk is om de banden die hij hier in Nederland heeft opgebouwd, kan voorzetten in Nigeria (via internet of per post).
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit het algemeen belang dat is gediend met een restrictief toelatingsbeleid zwaarder heeft laten wegen dan het persoonlijk belang van verzoeker om het familie- of gezinsleven met referente in Nederland uit te oefenen. Hierbij heeft hij zwaar in het nadeel van verzoeker laten meewegen dat het om een eerste toelating gaat en hij het familie- of gezinsleven met referente is gaan uitoefenen, terwijl hij wist dat hij hier niet rechtmatig verbleef. Daarnaast zijn er volgens verweerder geen objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven met referente in Nigeria uit te oefenen. Verweerder heeft in de banden van referente met Nederland geen aanleiding gezien om een objectieve belemmering aan te nemen. Daarbij heeft verweerder aandacht besteed aan werk, vrienden en haar kennis van de Nederlandse taal. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referente ook in Nigeria met hulp van verzoeker dezelfde banden kan opbouwen. Zij spreekt Engels dus dat hoeft ook geen beletsel te zijn om in Nigeria te gaan wonen. Ook heeft verweerder rekening gehouden met de aanwezigheid van haar zoon in Nederland. Daarvan heeft verweerder vastgesteld dat hij meerderjarig is en dat hij eigen keuzes kan maken over het al dan niet meegaan met zijn moeder naar Nigeria. Ook hierin heeft verweerder geen objectieve belemmering gezien om het familie- en gezinsleven in Nigeria uit te oefenen.
5. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder alle aangevoerde belangen in zijn afweging betrokken. Hij heeft deze voorts niet ten onrechte in het nadeel van verzoeker laten uitvallen. Zo heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet
is gebleken van objectieve belemmeringen die maken dat het gezinsleven uitsluitend in Nederland kan plaatsvinden.
7. Verzoeker voert aan dat verweerder heeft miskend dat ook tussen verzoeker en [naam] sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. [naam] is jongvolwassen en maakt deel uit van het gezin waartoe verzoeker behoort en volgens het beleid van verweerder wordt in die situatie beschermingswaardig gezin- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aangenomen.
8. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in het op de zitting ingenomen standpunt dat tussen verzoeker en [naam] geen sprake is van een familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat hier geen sprake is van een ouder-kindrelatie. Ook heeft verzoeker geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zijn relatie met [naam] gelijkgesteld moet worden met die van een ouder-kindrelatie. Het door verzoeker aangehaalde beleid is niet van toepassing. Nu er tussen verzoeker en [naam] geen sprake is van beschermd familie- en gezinsleven heeft verweerder in dit verband ook geen belangenafweging hoeven maken.
9. Verzoeker voert aan op dat hij op 29 oktober 2015 een asielaanvraag heeft ingediend en dat het afwijzende besluit met de uitspraak van de ABRvS op 13 december 2017 is komen vast te staan, maar dat er daarna nog een procedure heeft gelopen bij het EHRM. In de tussenliggende periode heeft verzoeker de verwachting mogen hebben dat aan hem een verblijfsvergunning zou worden verleend, waarmee hij in Nederland mocht blijven. Aan het in die periode in Nederland opgebouwde privéleven moet betekenis worden toegekend in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden.
10. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat verzoeker nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad op grond waarvan hij de verwachting mocht hebben dat hij in Nederland mocht blijven. Verzoekers asielaanvraag is op
22 november 2016 afgewezen en aan hem is meegedeeld dat hij de Europese Unie moest verlaten. Toch is hij in Nederland gebleven. Verweerder heeft verder belang mogen hechten aan de (korte) duur dat verzoeker hier in Nederland verblijft en heeft dit mogen afzetten tegen duur dat hij in Nigeria heeft verbleven. Verder heeft verweerder van belang mogen vinden dat de band van verzoeker met Nederland beperkt is. Hij heeft nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad en heeft geen werk of opleiding in Nederland. Dat hij enige sociale contacten heeft opgebouwd, is inherent aan het verblijf hier in Nederland. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de afwijzing van de aanvraag niet leidt tot een schending van het uitoefenen van het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
11. Verzoeker voert verder aan dat hij van het mvv-vereiste moet worden vrijgesteld vanwege de uitbraak van het Corona-virus. Dit maakt namelijk dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria om daar een mvv aan te vragen. Ook heeft de Coronapandemie gevolgen voor de terugkeer naar Nederland. Ook loopt verzoeker door de Coronapandemie bij terugkeer naar Nigeria een enorm risico op ernstige medische klachten en loopt hij een verhoogd risico op overlijden.
13. Verweerder heeft in de mogelijk reisbeperkingen vanwege de Coronapandemie geen aanleiding hoeven zien om het mvv-vereiste niet tegen te werpen. Deze beperkingen zijn
niet van dien aard dat van verzoeker niet mag worden verwacht om terug te keren naar Nigeria. Verzoeker heeft de Nigeriaanse nationaliteit en zou hooguit in Nigeria in quarantaine moeten. Indien aan verzoeker in Nigeria een mvv wordt verstrekt is terugkeer naar Nederland ook mogelijk.
Conclusie
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Gelet op het voorgaande slagen de gronden van verzoeker, zoals die nu zijn, niet. Daarom heeft het bezwaar op dit moment geen redelijke kans van slagen. Ook verder, gelet op de betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
22. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat haar oordeel een voorlopig karakter heeft en de rechtbank hier in een (eventuele) bodemprocedure niet aan is gebonden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
15 september 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. B. Fijnheer S. Westerhof
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [nummer]
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open