Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2021:15553
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,100 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21342
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, eiseres V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: H. Jahanyar).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 juni 2020 met zaaknummer NL20.3089. In die uitspraak staat dat verweerder binnen acht weken moet beslissen op de aanvraag van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een
‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
3. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eiseres. In zijn verweerschrift van 29 december 2020 geeft verweerder dit ook aan. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn, die is opgelegd door de rechtbank in de uitspraak van 24 juni 2020 op 20 augustus 2020 is verstreken.
4. Het beroep is kennelijk gegrond.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb).
6. In zijn verweerschrift stelt verweerder dat er achterstanden zijn in de behandeling van de asielaanvragen. Dit komt doordat er meer zaken zijn en de samenstelling van de zaken anders is dan verwacht. Verweerder geeft aan dat de doorlooptijden van de asielaanvragen nog steeds stijgen en noemt in zijn verweerschrift de maatregelen die hij neemt om de doorlooptijden te verminderen. Verweerder is namelijk extra personeel aan het werven. In het specifieke geval van eiseres wijst verweerder erop dat hij geen concrete termijn kan geven, waarbinnen hij op de aanvraag van eiseres kan beslissen. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 1. In die uitspraak heeft de afdeling bepaald dat de beslistermijnen die de rechtbank oplegt aan verweerder niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort mogen zijn. Eiseres heeft al de mogelijkheid gehad om haar asielaanvraag te onderbouwen. Een eerste en een nader gehoor hebben namelijk al plaatsgevonden. Eiseres zal nog worden uitgenodigd voor een aanvullend gehoor. Verweerder kan echter geen indicatie geven van wanneer dit gehoor zal plaatsvinden. De aanvraag van eiseres is opgenomen in de VA-procedure, en die aanvragen hebben meer tijd nodig. Verweerder stelt dat een 8+8 weken model, zoals in de voornoemde uitspraak van de afdeling is aangewezen, wenselijk is. Verweerder verzoekt de rechtbank om een termijn van acht weken op te leggen voor het houden van een aanvullend gehoor en een termijn op te leggen van acht weken vanaf de dag van dat gehoor om alsnog te beslissen op de aanvraag van eiseres.
7. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiseres haar asielaanvraag heeft kunnen onderbouwen. Eiseres heeft meerdere gehoren gehad (aanmeldgehoor, eerste gehoor, nader gehoor) en is in de gelegenheid gesteld om haar correcties en aanvullingen hierop in te dienen. Verder blijkt uit de stukken dat de asielaanvraag van eiseres in de Verlengde Asielprocedure (VA-procedure) wordt behandeld.
8. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eiseres bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van tien weken. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat er nog een aanvullend gehoor moet plaatsvinden, maar de door verweerder gevraagde periode van acht weken om dat gehoor te plannen vindt de rechtbank te lang. Daarbij is ook van belang dat er sinds het verweerschrift al weer enkele weken zijn verstreken. De rechtbank vindt dat van verweerder verwacht mag worden dat het aanvullende gehoor nu binnen twee weken plaatsvindt en dat er vervolgens binnen twee weken een voornemen wordt genomen. Omdat eiseres daarop vervolgens nog haar zienswijze mag geven voordat verweerder een besluit neemt, komt de rechtbank in dit geval op een beslistermijn van tien weken. De rechtbank verwijst daarbij ook naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020.
1ECLI:NL:RVS:2020:1560
9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank oordeelt dat er aanleiding is voor deze hogere dwangsom omdat verweerder, ondanks dat eiseres al eerder beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen én verweerder ook al een dwangsom aan eiseres heeft moeten betalen van
€ 7.500,-, nog steeds geen beslissing heeft genomen. De rechtbank beslist dat er nu een sterkere prikkel nodig is en sluit daarbij aan bij de uitspraak van 29 juni 2020 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.2
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 267,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 267,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.
2ECLI:NL:RBDHA:2020:5887
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
10 februari 2021
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.