Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-08-02
ECLI:NL:RBDHA:2021:13582
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,734 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/4266
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
2 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 19 mei 2020 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2021.
Eiser is verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1. Op zaterdag 6 februari 2020 om 20:49 stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [plek 1] tussen de [plek 2] en de [autosnelweg] te [plaats 1] (de locatie). De locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als plaats waar alleen met een vergunning of dagvergunning met een dagtarief van € 30 mag worden geparkeerd.
2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip is geconstateerd dat de auto geparkeerd stond zonder dat er vergunningsrecht was of een dagvergunning was gekocht. Naar aanleiding daarvan is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd van € 91, bestaande uit € 30 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en meer in het bijzonder of de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse voldoende kenbaar was.
4. Eiser stelt dat op de hoek van de [plek 1] en [plek 2] , kijkend in de richting van de Vondelstraat, een bord staat waarop vermeld is dat er geparkeerd mag worden met een vergunning of door betaling van parkeerbelasting per uur. De betaalautomaat aan de overkant van de kruising [plek 2] en de [plek 1] heeft het zonenummer [zonenummer] , wat inhoudt dat ook per uurtarief geparkeerd kan worden. Hieruit volgt dat op de locatie per uur kon worden betaald, wat eiser – net als eerdere keren - heeft gedaan. De naheffingsaanslag is dan ook ten onrechte opgelegd.
5. Verweerder stelt zich - onder verwijzing naar overgelegde foto’s - op het standpunt dat aan de hand van de bebording voldoende duidelijk is dat op de locatie alleen met een vergunning of dagvergunning geparkeerd kon worden en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
6. De rechtbank stelt voorop dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime (vgl. Gerechtshof ’s-Gravenhage 18 oktober 2002, ECLI:NL:GHDHA:2002:AS2261). Van de heffingsambtenaar mag daarentegen worden verwacht dat, onder andere door middel van bebording en aanduidingen op parkeerapparatuur, het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk is aangegeven. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo’n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (vgl. Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126). Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze laatste voorwaarde is voldaan.
7. Nu eiser heeft gesteld dat de bebording en dus het parkeerregime voor de locatie onvoldoende kenbaar was, ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat het geldende parkeerregime wel voldoende kenbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan. Eiser heeft aangegeven met de auto vanaf de [autosnelweg] (vanuit [plaats 2] ), via de [plek 3] en de [plek 4] , de [plek 1] in te zijn gereden. Eiser moet zodoende de bebording aan de [plek 3] ter hoogte van de [plek 4] met de tekst “zone P uitsluitend dagkaart” gepasseerd zijn, alsook het locatiebord met verwijzing naar de parkeerautomaat en zonecode “3333” (inhoudende parkeren uitsluitend middels vergunning of dagvergunning) aan het einde van de [plek 4] op de kruising met de [plek 1] . Dat eiser deze borden niet heeft opgemerkt, behoort tot zijn risicosfeer. Eiser had in redelijkheid ook niet kunnen concluderen dat het parkeerregime op de locatie gewijzigd/anders was, nu eiser na het passeren van het zonebord op de [plek 3] , geen bord is gepasseerd waaruit blijkt dat dit parkeerregime niet langer geldt. Het bord op de hoek van de [plek 1] en de [plek 2] waar eiser naar verwijst geeft een wijziging weer van het parkeerregime, evenwel heeft deze wijziging betrekking op het parkeren na het passeren van dit bord (vanuit de rijrichting van eiser bezien) en dus niet op de locatie waar eiser heeft geparkeerd. De achterzijde van voornoemd bord duidt het parkeerregime aan van de locatie waar eiser heeft geparkeerd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:860 (in hoger beroep op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10949), kan hem niet baten, omdat die uitspraak betrekking heeft op een andere feitelijke situatie dan die bij de thans in geschil zijnde naheffingsaanslag.
8. Uit de omstandigheid dat aan eiser (blijkbaar) niet eerder naheffingsaanslagen zijn opgelegd, terwijl hij stelt wel op de locatie te hebben geparkeerd tegen betaling van de parkeerbelasting per uur, mocht eiser niet het vertrouwen ontlenen dat hij ook mocht parkeren tegen een betaling per uur op de locatie. Het enkele nalaten van het opleggen van naheffingsaanslagen is onvoldoende voor de rechtvaardiging van een dergelijk vertrouwen.
9. De rechtbank overweegt dat de bezwaren van eiser voor zover betrekking hebbend op de invordering van de naheffingsaanslag buiten het bestek van het door de rechtbank in de onderhavige zaak te beoordelen geschil vallen.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Boom, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Vijverberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 augustus 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.