Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-10-12
ECLI:NL:RBDHA:2021:11315
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,690 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.11832
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met zaak NL21.11833, op 8 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Kurdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1988 en bezit de Syrische nationaliteit. Op 1 juli 2021 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien is vastgesteld dat de vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser sinds 18 februari 2021 internationale bescherming geniet in Roemenië. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser kan worden verwacht naar Roemenië terug te kunnen keren.
3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Voornemen zonder correcties en aanvullingen
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het onzorgvuldig is dat verweerder een voornemen heeft genomen alvorens hij in de gelegenheid is gesteld om correcties en aanvulling op het aanmeldgehoor in te dienen.
5. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser is in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor in te dienen, waar hij ook gebruik van heeft gemaakt op 14 juli 2021 tezamen met de zienswijze. Het betoog van eiser dat het nemen van een voornemen voordat de correcties en aanvullingen zijn bekendgemaakt afbreuk doet aan de oordeelsvorming wordt niet gevolgd. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor zijn betrokken bij die overwegingen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt verder vast dat niet meer in geschil is dat eiser internationale bescherming geniet in Roemenië. Eiser stelt dat in dit verband in zijn geval niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië. Er zijn voldoende aanknopingspunten die maken dat de situatie voor statushouders in Roemenië dusdanig slecht is dat ervan uit kan worden gegaan dat eiser niet langer kan voorzien in zijn basisbehoeften. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verwezen naar het AIDA-rapport van april 2020.
7. Verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Roemenië haar internationale verplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Roemenië dit jegens hem niet doet en hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Statushouders hebben op grond van de Kwalificatierichtlijn onder dezelfde voorwaarden als de eigen staatsburgers toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen. Statushouders moeten zelf inspanningen verrichten om de rechten die zij aan hun status ontlenen, te verwezenlijken. In het aanmeldgehoor heeft eiser meerdere malen aangegeven dat hij weinig tot bijna niks heeft gedaan om deze rechten te effectueren, omdat hij dit bij voorbaat zinloos vond. Zeker ook omdat zijn doel altijd was om naar Nederland te komen en hij slechts dacht aan hoe hij naar Nederland kon komen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten in Roemenië. Niet is gebleken dat hij zich hiervoor voldoende heeft ingespannen. De verwijzing naar het AIDA-rapport van april 2020 is dan ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, omdat eiser, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zijn rechten als statushouder te effectueren.
Sterkere band met Nederland
8. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij een sterkere band heeft met Nederland, omdat hij hier familieleden heeft wonen, namelijk een broertje, een zusje en diens kinderen. Verder stelt hij dat deze familieleden voor hun welzijn afhankelijk zijn van eiser. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een brief van zijn zusje overgelegd.
9. Zoals hiervoor is overwogen, is niet is geschil dat eiser internationale bescherming geniet in Roemenië. Gelet op deze omstandigheid heeft verweerder niet ten onrechte kunnen overwegen dat eiser een sterkere band heeft met Roemenië. De aanwezigheid van zijn familieleden in Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Van een afhankelijkheidsrelatie is ook niet gebleken nu niet is onderbouwd op welke wijze eisers aanwezigheid noodzakelijk is voor het welzijn van de familieleden. De verklaring van het zusje dat eiser een verbindende factor is binnen de familie is onvoldoende.
Conclusie
10. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Richtlijn 2011/95/EU.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793.