Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-09-28
ECLI:NL:RBDHA:2021:10742
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
753 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12880
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.12881, op 23 september 2021 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij bericht van 16 september 2021 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat zij van het COA heeft vernomen dat eiser op 16 augustus 2021 met onbekende bestemming uit de opvanglocatie in Ter Apel is vertrokken. Zij heeft sindsdien ook geen contact meer met eiser. Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 17 september 2021 bevestigd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij heeft verweerder een schermafdruk overgelegd van de MOB-melding zoals door het COA aan verweerder toegezonden. Hieruit blijkt dat eiser met ingang van 16 augustus zelfstandig de woonruimte heeft verlaten.
2. De rechtbank ziet zich daarmee ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser ontvankelijk is in het beroep. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Gelet op het hiervoor aangehaalde bericht van de gemachtigde van eiser van 16 september 2021 doet die situatie zich niet voor.
4. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2021 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2019 ( ECLI:NL:RVS:2019:579)