Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-08-31
ECLI:NL:RBDHA:2020:8443
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
926 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/4343
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
tegen
burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 8:82, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, bepaalt dat van de indiener van het verzoekschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Awb deelt de griffier de indiener mede dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 22 juli 2020 heeft de griffier verzoeker, onder verwijzing naar het vorenstaande, medegedeeld dat hij een griffierecht van € 178,- verschuldigd is. Dat bedrag is echter niet binnen de in artikel 8:82, tweede lid, van de Awb gestelde termijn op de rekening van de rechtbank bijgeschreven dan wel ter griffie gestort.
De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige omstandigheid die tot het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring zou moeten leiden. Verzoeker heeft weliswaar op
7 juli 2020 bij de rechtbank een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht gedaan, maar dit verzoek is bij brief van 21 juli 2020 afgewezen.
Verzoeker kan reeds op grond van het vorenstaande niet in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb worden ontvangen. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.
Dictum
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Badermann, griffier, op 31 augustus 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.