Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2020:790
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,619 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.18918
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C. Theodoulou).
Procesverloop
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft op 1 november 2019 aanvullende gronden van beroep ingediend.
Verweerder heeft op 12 november 2019 een aanvullend verweerschrift ingediend.
Op 14 november 2019 is de behandeling van het beroep aangehouden vanwege het niet verschijnen van een tolk. Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 19 december 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi.
Verder was aanwezig [naam 2] , de meerderjarige dochter van eiseres.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres is naar Nederland gekomen op basis van een visum kort verblijf. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit visum heeft zij op 4 december 2017, mede namens haar minderjarige dochter [naam 3] (geboren [geboortedatum 3] en in het bezit van de Iraanse nationaliteit), een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij een afvallige van de Islam is en dat zij zich heeft bekeerd tot het Bahá’í-geloof. In verband hiermee zou haar man zijn verdwenen en zou documentatie over het Bahá’í-geloof uit haar woning in Iran zijn meegenomen. Daarnaast heeft zij gesteld dat zij asiel vraagt vanwege haar positie als vrouw in Iran.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiseres afvallige is. Volgens verweerder heeft eiseres niet overtuigend verklaard over haar gewijzigde houding tegenover de Islam. Daarnaast is zij nooit actief aanhanger geweest van haar oude religie, zonder dat zij ooit in de problemen is gekomen. Evenmin vindt verweerder het geloofwaardig dat eiseres is bekeerd tot het Bahá’í-geloof. Zij heeft niet overtuigend verklaard over haar motief voor en het proces van haar bekering. Ten derde gelooft verweerder niet de verklaringen van eiseres over de ontvoering van haar echtgenoot en het aantreffen van documenten over het Bahá’í-geloof in de woning van eiseres. Verweerder stelt dat vrouwen niet slechts op basis van sekse worden aangemerkt als sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat deze groep te divers van samenstelling is. Verder heeft eiseres niet onderbouwd dat vrouwen in Iran in het algemeen blootstaan aan vervolging of moeten vrezen voor ernstige schade. Niet is gebleken dat eiseres er een politieke overtuiging op na houdt.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiseres als vrouw behoort tot een sociale groep in Iran. Vrouwen in Iran worden maatschappelijk in grote mate beperkt. Als vrouwen zich hier niet naar voegen, lopen zij het risico op vervolging of schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres stelt dat zij ook een politieke opinie heeft die zij uit vrees voor vervolging nooit heeft durven uiten. Eiseres verwijst naar de definitie in Richtlijn 2011/95/EU en naar de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaken C-71/11 en C-199/12. Verweerder dient te onderzoeken wat haar te wachten staat indien zij zich vrij uitspreekt in Iran.
Eiseres stelt dat verweerder in strijd met de Richtlijn 2011/95 een te beperkte opvatting heeft over ‘godsdienst’ als vervolgingsgrond, waardoor het nuttig effect wordt ontnomen aan het gemeenschapsrecht. Het begrip ‘godsdienst’ zoals bedoeld in artikel 10 onder b van de Richtlijn omvat volgens eiseres mede de vrijheid om je te oriënteren op andere godsdiensten. Dit heeft zij gedaan, getuige haar kennis en activiteiten, terwijl zij hiermee in Iran de doodstraf riskeert.
Volgens eiseres heeft verweerder daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom de bekering ongeloofwaardig is bevonden. Ook vindt zij dat de beoordeling aspecten van willekeur in zich draagt. Zij wijst op een andere zaak (‘nummer 2865640526’), waarin is overwogen dat de betrokkene haar geloof had kunnen aantonen door het vertonen van haar paspoort. Eiseres wijst erop dat ook zij stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij behoort tot het Bahá’í-geloof. Zij meent, onder verwijzing naar de zaak C-56/17, punt 86, met het registratiebewijs als Bahá’í te hebben voldaan aan haar bewijslast. Verder stelt eiseres dat de beoordeling van de bekering aan de hand van de in het bestreden besluit genoemde zwaartepunten in strijd is met de instructies van het HvJ EU onder punten 87 en 88 van het arrest in de zaak C-56/17.
Ten slotte heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Zij stelt dat zij oma is geworden. Haar meerderjarige dochter heeft een verblijfsvergunning gekregen, omdat zij een kind heeft gekregen samen met een andere statushouder. Er bestaat nog steeds gezinsleven tussen hen. Verweerder heeft hier ten onrechte geen consequenties aan verbonden, aldus eiseres.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De vreemdeling kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel, indien hij heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag om redenen van onder meer godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in haar uitspraak van 21 november 2018, onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU in de zaken C-199/12 tot en met C-201/12, overwogen dat een groep eerst als specifieke sociale groep wordt aangemerkt als voldaan wordt aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Richtlijn 2011/95/EU. Ten eerste moeten de leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet kan worden gewijzigd, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Ten tweede moet deze groep in het betrokken derde land een eigen identiteit hebben, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
6. In aansluiting op hetgeen in de genoemde uitspraak is overwogen over een door niet-westerse vrouwen aangenomen westerse levensstijl, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat vrouwen in Iran die zich niet wensen te voegen naar de aldaar geldende maatschappelijke leefregels zich op dezelfde manier manifesteren en dezelfde motieven hebben. In zoverre delen zij geen gemeenschappelijk kenmerk. Het enkele feit dat zij zich anders gedragen dan maatschappelijk is voorgeschreven, is los van een eventuele godsdienstige of politieke overtuiging niet van zodanig belang voor hun identiteit of morele integriteit dat van hen niet zou mogen worden verwacht dit op te geven. Gelet hierop kunnen zij niet worden gezien als een sociale groep.
7. In de genoemde uitspraak heeft de AbRS, onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU in de zaken C-71/11 en C-99/11, overwogen dat de bescherming onder het Unierecht op basis van de vervolgingsgrond godsdienstige of politieke overtuiging slechts gedrag omvat dat betrokkene noodzakelijk voor zichzelf acht, in de zin dat het gaat om kenmerken die zo fundamenteel zijn voor de identiteit of morele integriteit van een vreemdeling, dat niet mag worden gevraagd dat die dit opgeeft.
8. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat eiseres tijdens de gehoren, noch in de zienswijze blijk heeft gegeven van een politieke opinie. Zij heeft zich tijdens de gehoren uitsluitend in relatie tot haar gestelde geloofsovertuiging uitgelaten over de achtergestelde positie van de vrouw in Iran. Uit haar verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiseres vindt dat zij zich hiertegen dient tegen uit te spreken.
9. Het is allereerst aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij vanwege de gestelde geloofsovertuiging te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder wijst daarbij terecht op punt 71 van het arrest in de zaken C-71/11 en C-99/11. Voor zover eiseres stelt dat zij zich heeft georiënteerd op een andere religie met het verwerven van kennis en het deelnemen aan religieuze activiteiten is dat voor de toepassing van de Richtlijn 2011/95 uitsluitend relevant voor zover dat is geschiedt vanuit een oprechte godsdienstige overtuiging. Het is aan eiseres om dat in de eerste plaats aannemelijk te maken met de door haar afgelegde verklaringen. Verweerder heeft de aanvraag dienovereenkomstig beoordeeld en heeft daarbij geen blijk gegeven van een te beperkte uitleg van artikel 10, eerste lid, onder b van de Richtlijn.
10. Verweerder heeft in het voornemen uitvoerig gemotiveerd waarom hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiseres.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden
Kwalificatierichtlijn, Publicatieblad van de Europese Unie 20 december 2011, L337/9
HvJ EU 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518
HvJ EU 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:720
HvJ EU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:803
ECLI:NL:RVS:2018:3735
AbRS 21 november 2018, r.o. 6.6
AbRS 21 november 2018, r.o. 5.6 en 5.7
Zie Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf B7/3.8.1
idem