Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-07-09
ECLI:NL:RBDHA:2020:6274
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,719 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/8639
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en bepaald dat eiser binnen 28 dagen het grondgebied van de Europese Unie dient te verlaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Vanwege de uitbraak van het coronavirus en de getroffen strenge maatregelen om verdere uitbreiding daarvan te voorkomen, heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een zitting via een videoverbinding (Skype). Partijen hebben hierop toestemming gegeven om de zaak schriftelijk en op de stukken af te doen.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij op [geboortedatum] 1956 is geboren en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser verblijft naar eigen zeggen sedert 1979 in Nederland zonder in het bezit te zijn (geweest) van een verblijfsvergunning.
2. Verweerder heeft – na eiser op 7 november 2019 te hebben gehoord over het opleggen van een terugkeerbesluit en hem daarbij in de gelegenheid te hebben gesteld een zienswijze te geven – het terugkeerbesluit opgelegd omdat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft en op eiser op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de verplichting rust om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, terwijl niet is gebleken dat van bijzondere omstandigheden waardoor van het opleggen van een terugkeerbesluit zou moeten worden afgezien, sprake is.
3. Eiser stelt dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser heeft in het gehoor van 7 november 2019 wel degelijk bijzondere omstandigheden aangevoerd. Eiser is bijna van pensioengerechtigde leeftijd, 63 jaar. Eiser heeft verklaard dat hij in 1979 naar Nederland is gekomen en hier sindsdien heeft verbleven. Dat betreft een periode van 40 jaar. In die tijd is eiser volkomen geworteld in Nederland en vervreemd geraakt van Marokko. Hem laten terugkeren naar Marokko zou van een onevenredige hardheid getuigen. Eiser heeft ook gezondheidsproblemen. In Marokko heeft eiser wel een ex-echtgenote en kinderen, maar daarmee heeft eiser niet of nauwelijks contact. In Nederland heeft eiser een ruime vrienden- en kennissenkring opgebouwd. Ook heeft eiser altijd in Nederland gewerkt, en heeft zware banen gehad zoals werk in het slachthuis. In Marokko heeft eiser geen toekomst of pensioen. Daarbij komt dat eiser bij terugkeer voor een gevangenisstraf vreest omdat hij nooit alimentatie heeft betaald aan zijn ex-echtgenote.
4. In artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de vreemdeling, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn.
Artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Op eiser rust daarom op grond van artikel 61 van de Vw 2000 in beginsel de verplichting Nederland te verlaten.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in hetgeen eiser in het gehoor van 7 november 2019 naar voren heeft gebracht, geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan verweerder van het opleggen van een terugkeerbesluit had moeten afzien. Verweerder heeft de door eiser tijdens het gehoor genoemde omstandigheden bij het bepalen van de vertrektermijn in acht genomen door eiser een vertrektermijn van 28 dagen toe te staan.
Voor zover eiser stelt dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op privé leven, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank dat artikel 8 van het EVRM slechts een rol speelt in het kader van de vraag of aanleiding bestaat een termijn voor vrijwillig vertrek vast te stellen en niet bij de vaststelling van de vertrekplicht als zodanig. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2816).
Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser een vertrektermijn gegund van 28 dagen. Indien eiser meent dat hij op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, dient hij dat te laten beoordelen in een procedure op basis van een daartoe ingediende aanvraag.
Voor zover eiser stelt dat sprake is van medische beletselen om aan het terugkeerbesluit te voldoen, dan wel van omstandigheden die tot vergunningverlening dienen te leiden, heeft eiser binnen de hem verleende vertrektermijn van 28 dagen de mogelijkheid gehad om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen dan wel om uitstel van vertrek op medische gronden aan te vragen. De in beroep aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.