Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2020:4415
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,508 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9765
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Attayee. Verweerder heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en ter zitting stelt hij te zijn geboren in 1980 of 1981.
Eiser voert ten eerste aan dat verweerder ten onrechte niet in het besluit heeft vermeld dat hij is gehoord met behulp van een registertolk.
Het is niet in geschil dat er gebruik is gemaakt van een registertolk tijdens het gehoor voor inbewaringstelling. Dat verweerder dit niet in het bestreden besluit heeft vermeld, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser is hierdoor immers niet in zijn belangen geschaad.
Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, als grondslag voor de bewaring heeft gebruikt. Eiser wilde al eerder een opvolgende asielaanvraag indienen, maar omdat hij niet wist wat hij moest
ondertekenen heeft hij het formulier uiteindelijk niet ondertekend. Op aanraden van de gemachtigde van eiser is pas een opvolgende asielaanvraag ingediend na het uitkomen van WBV 2020/9 van 21 april 2020. Daarnaast kan eiser de terugkeer niet verijdelen nu er vanwege de maatregelen rondom het coronavirus geen uitzettingen plaatsvinden.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het valt niet uit te sluiten dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend om deze inhoudelijk beoordeeld te krijgen en niet, zoals verweerder stelt, louter om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Dat eiser op aanraden van zijn gemachtigde heeft gewacht met de asielaanvraag totdat WBV 2020/9 uitkwam, is een mogelijke verklaring voor het indienen van de asielaanvraag nadat eiser al twee maanden in bewaring zat. De grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, kan daarom geen stand houden. Dit leidt echter niet tot een gegrond beroep gelet op het volgende.
6. Eiser voert verder aan dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, niet als grondslag voor de bewaring kan worden gebruikt. Verweerder had afzonderlijk moeten motiveren waarom bewaring noodzakelijk is voor het verkrijgen van de gegevens en waarom er een risico op onttrekking bestaat. Eisers identiteit en herkomst staan niet ter discussie. Eiser wil zijn asielrelaas graag naar voren brengen en hij zal zich daarvoor dan ook beschikbaar houden. Eiser verwijst verder naar een artikel van Van der Spek, E. Flikweert en A. Terlouw, ‘Detentie van asielzoekers: een onderzoek naar de toepassing van artikel 59b Vw, Wolf Legal Publishers, Oisterwijk 2018 en S. Thelosen, ‘Detentie van asielzoekers: een onderzoek naar de toepassing van artikel 59b Vw (recensie)’, JNVR, 2018. Uit de literatuur volgt volgens eiser dat er een afzonderlijke motivering vereist is over waarom de bewaring noodzakelijk zou zijn om de benodigde gegevens te verkrijgen.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op wat hierna onder 11. wordt geoordeeld, zijn de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Met de vaststelling dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, is ook gegeven dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 oktober 20161 en 22 augustus 20192. Eiser kon daarom in bewaring worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
1. ECLI:NL:RVS:2016:2852
2 ECLI:NL:RVS:2019:2844
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat (1°) eiser in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
9. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. De gronden onder 3a en 3b zijn niet gemotiveerd, waardoor deze geen stand kunnen houden. Verweerder heeft verder de grond onder 3c in de eerdere bewaringszaak van eiser laten vallen, waarin uitspraak is gedaan door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam3. Eiser heeft verder verklaard dat hij niet terug wil naar Afghanistan, wat logischerwijs volgt uit zijn asielaanvraag. Zonder nadere motivering kan hieruit niet worden afgeleid dat hij verklaard zou hebben geen gevolg te geven aan zijn verplichting tot terugkeer en kan de grond onder 3i niet worden tegengeworpen. De grond onder 4a is verder niet gemotiveerd. De motivering bij de grond onder 4b is onjuist, eiser heeft slechts één eerdere asielaanvraag ingediend. De gronden 4c en 4d kunnen niet tegengeworpen worden omdat eiser recht heeft op opvang en daggeld. De grond onder 4f is ook onterecht tegengeworpen, eiser heeft niet in de winkel gewerkt. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt niet dat eiser of dat een andere man aan het werken was.
10. Verweerder heeft de gronden onder 3a, 3c, 4a en 4b laten vallen.
11. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Verweerder heeft de grond onder 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Eiser is op 11 januari 2018 met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft verder in het gehoor voor inbewaringstelling aangegeven dat hij niet wenst te vertrekken. De grond onder 3i is daarom feitelijk juist en mag daarom aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. De gronden onder 3b en 3i zijn, in onderlinge samenhang bezien, voldoende om de maatregel te dragen. Wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiser voert verder aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege de maatregelen rondom het coronavirus. Verweerder had ten aanzien van eiser een individuele beoordeling moeten maken.
3 Uitspraak van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:1051)
13. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS4 volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
15 mei 2020
Documentcode: DSR11622343
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.