Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2020:4214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.9353
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. J.M. Niemer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 maart 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 maart 2020 (in de zaak NL20.5981) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser verblijft sinds 18 februari 2020 in vreemdelingendetentie. Er was een vlucht geboekt op 17 maart 2020, maar deze is geannuleerd vanwege het coronavirus. Het is niet duidelijk wanneer uitzetting zou kunnen plaatsvinden. Eiser beroept zich op de brief van 28 april 2020 waarin belangenorganisaties, waaronder Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland, de Tweede Kamer oproepen om mensen in vreemdelingendetentie vrij te laten in verband met de COVID-19 pandemie.
4.1
Voor zover eiser hiermee betoogt dat de uitzetting niet mogelijk is vanwege de omstandigheid dat Marokko op dit moment het luchtruim heeft gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, verwijst de rechtbank naar de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141), waarin is geoordeeld dat deze omstandigheid op dit moment nog aan te merken is als een tijdelijke belemmering. Het is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. De door eiser aangehaalde brief van 28 april 2020 kan aan dit oordeel niet af doen.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiser voert subsidiair aan dat voortduring van de maatregel onrechtmatig is omdat de detentieomstandigheden vanwege de corona-uitbraak zijn verzwaard. Eiser verblijft momenteel 20 uur per dag in zijn cel, er is geen dagbesteding meer en bezoek is evenmin mogelijk.
5.1
Wat eiser in dit kader aanvoert moet worden opgevat als een klacht over de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum. Voor dergelijke klachten staat een andere rechtsgang open. De rechtbank verwijst daarbij naar uitspraken van de Afdeling waarin ook is overwogen dat een klacht over de toepassing van het regime niet kan leiden tot gegrondbevinding van het beroep (ECLI:NL:RVS:2005:15 en ECLI:NL:RVS:2013:3398).
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.