Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-10-26
ECLI:NL:RBDHA:2020:15518
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,227 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.13905
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Op 13 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond verklaard.
Bij besluit van 19 juni 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is.
Hoe is de aanvraag van eiser behandeld?
2. Op 14 april 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 13 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak het besluit op de aanvraag van eiser te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
2.1.
De aanvraag van eiser is bij besluit van 19 juni 2020 ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft daarbij geen rechterlijke dwangsom vastgesteld.
Is de rechtbank bevoegd om de vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom te beoordelen?
3. Eiser is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan de uitspraak van 25 februari 2020 heeft verbonden.
3.1.
Verweerder voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van een eerdere uitspraak verbeurde dwangsom vast te stellen. Eiser dient zich tot de burgerlijke rechter te wenden en verweerder verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.2.
De bestuursrechter verbindt een nadere dwangsom aan zijn uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Dat volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Maar uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte vast te stellen van een door een rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom. Een dergelijke dwangsom kan ten uitvoer worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom is daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Want de bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend.
Wat is de conclusie van de rechtbank?
4. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Daarvoor moet eiser zich wenden tot de burgerlijke rechter. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zaaknummer NL20.1777 (niet gepubliceerd).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3777),
29 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1025) en 29 april 2020
(ECLI:NL:RVS:2020:1152).
Zie bijvoorbeeld ABRvS, 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.