Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-12-07
ECLI:NL:RBDHA:2020:12907
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.18745
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18746, plaatsgevonden op 19 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten.
2. Op 6 november 2015 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 21 juli 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Dit staat in rechte vast.
3. Op 7 augustus 2017 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend, nadat hij eerder op 23 januari 2017 een schriftelijke kennisgeving M35-O heeft ingediend. Bij besluit van 9 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 7 september 2017 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak op 31 juli 2018 bevestigd. Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep daartegen is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 10 december 2019 ongegrond verklaard.
4. Op 18 juni 2020 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend via een schriftelijke kennisgeving M35-O. Nadat verweerder op 18 juni 2020 een voornemen heeft uitgebracht tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag, heeft eiser op 29 juni 2020 opnieuw een schriftelijke kennisgeving M35-O ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een verklaring heeft verkregen van de Afghaanse ambassade waaruit volgt dat de door eiser in de vorige procedure overgelegde politieoproepen authentiek zijn. Daarnaast stelt eiser dat hij is bekeerd tot het christendom en dat hij zodanig is verwesterd dat hij zich bij terugkeer in Afghanistan niet kan aanpassen aan de aldaar geldende leefregels.
5. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de politieoproepen in de vorige procedure door Bureau Documenten niet konden worden beoordeeld op authenticiteit wegens het ontbreken van referentiemateriaal. De door eiser aangestelde contra-expert van het NFO heeft de documenten aangemerkt als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet authentiek. De overgelegde verklaring van de Afghaanse ambassade is niet gebaseerd op een onderzoek van de originele documenten en daarnaast is de wijze van totstandkoming van deze verklaring niet toegelicht. Deze verklaring kan daarom niet afdoen aan de eerdere negatieve beoordelingen over de authenticiteit van de politieoproepen. De gestelde bekering tot het christendom acht verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser niet overtuigend heeft verklaard over de motieven voor bekering, het proces van bekering en zijn kennis over het christendom. Tot slot heeft verweerder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van verwestering.
6. Wat eiser daartegen aanvoert, wordt hierna besproken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Verklaring van de Afghaanse ambassade
7. Eiser heeft in beroep een nadere verklaring van de Afghaanse ambassade, gedateerd 10 november 2020, overgelegd. In deze verklaring staat dat de ambassade de door eiser overgelegde politieoproepen naar het Afghaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verstuurd, die vervolgens heeft geoordeeld dat de politieoproepen authentiek zijn. Volgens eiser is hiermee het door verweerder gewenste inzicht gegeven in de totstandkoming van de authenticiteitsbeoordeling door de ambassade.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit de verklaringen van de ambassade niet blijkt op grond waarvan de ambassade tot haar conclusie omtrent de authenticiteit is gekomen. Uit de verklaring van 10 november 2020 blijkt slechts welke instantie de documenten heeft beoordeeld, maar daarmee wordt geen inzicht gegeven in de onderzoeksmethode die is gebruikt om de authenticiteit vast te stellen. Dit inzicht heeft verweerder wel mogen verlangen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom niet ten onrechte overwogen dat verklaring van de Afghaanse ambassade niet kan afdoen aan het deskundigenoordeel van Bureau Documenten en de contra-expertise van het NFO uit de vorige procedure van eiser. Met de verklaring van de Afghaanse ambassade heeft eiser de authenticiteit van de politieoproepen dan ook niet alsnog aangetoond.
Bekering naar het christendom
9. Eiser voert aan dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in de aanleiding van de bekering dan wel in de verdieping van het geloof. Eiser heeft aangegeven dat het christendom hem rust en voldoening gaf. Bij eiser is er sprake van een passieve bekering. Eiser heeft zich nooit vereenzelvigd met de islam, zodat er geen sprake is van een weloverwogen keuze voor een nieuwe religie. Verweerder heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat de afgelopen maanden het aantal activiteiten is afgenomen. Eiser stelt dat het voor hem niet duidelijk is wat verweerder nog meer van hem verwacht, nu hij duidelijk heeft uiteengezet op welke wijze hij kennis heeft gemaakt met het geloof, wat zijn kennis is over het geloof en welke activiteiten hij heeft verricht.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij oprecht is bekeerd. Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen overtuigende en concrete verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde bekering. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
11. Eerst in beroep heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van een passieve bekering. In de zienswijze heeft eiser echter aangegeven dat hij een welbewuste keuze heeft gemaakt om zich in te laten met het christendom. Verder stelt eiser in de zienswijze dat er sprake is van een proces. Dit duidt op een actieve bekering. Nu een nadere toelichting ontbreekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling dat er sprake is van een passieve bekering. Verweerder heeft voor zijn standpunt dat de bekering ongeloofwaardig is de verklaringen van eiser over het proces dat daartoe heeft geleid dan ook terecht van belang geacht. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser afkomstig is uit Afghanistan, een land waar bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging strafbaar is en verstrekkende gevolgen kan hebben. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over zijn afwending van de islam door de enkele stelling in te nemen dat hij zich nooit heeft verdiept in de islam. Ook heeft verweerder het bevreemdingwekkend kunnen vinden dat eiser heeft verklaard op geen enkel moment twijfels te hebben gehad om een kerkdienst bij te wonen, nu hij zijn hele leven in Afghanistan heeft gewoond waar bekering strafbaar is.
12. Niet ten onrechte is overwogen dat eiser zijn motieven voor bekering niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over het ervaren van rust en voldoening mogen aanmerken als algemeen van aard en niet exclusief te relateren aan het geloof. Verweerder heeft voorts terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van bekering. Tijdens het nader gehoor heeft eiser eerst verklaard dat hij ongeveer twee jaar geleden is bekeerd tot het christendom en vervolgens gesteld dat hij is bekeerd nadat hij in augustus 2020 is genezen van het coronavirus. Deze tegenstrijdigheid is door eiser niet weggenomen.
13. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in het bestreden besluit wel rekening gehouden met de omstandigheid dat de afgelopen periode minder activiteiten hebben kunnen plaatsvinden in verband met de coronapandemie. Echter, verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij ruim twee jaar geleden kennis heeft gemaakt met het christendom en voor de coronapandemie regelmatig kerkdiensten heeft bijgewoond en cursussen heeft gevolgd.
Conclusie
20. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid vanmr. W. van Loon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 september 2016 (NL16.1839 en NL16.1840) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016 (201606967/1/V2)
Zaaknummers NL17.6720 en NL17.6723
Zaaknummer 201707386/1/V2
Zaaknummers NL19.23734 en NL19.23736
Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, rechtsoverweging 7.2, ECLI:NL:RVS:2016:3502
Uitspraak van 19 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10488
Richtlijn 2011/95/EU
ECLI:NL:RVS:2019:4200
ECLI:NL:RVS:2020:42