Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2020:10378
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,750 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/5336
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C. van Kins),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. Rentema-Westerhof).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om toepassing van het eerste lid van artikel 39a van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), afgewezen.
Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020.
Partijen zijn door middel van een skype-verbinding gehoord.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren in 1972. In 1994 is hij aangesteld bij het beroepspersoneel der zeemacht voor een bepaalde tijd. Deze aanstelling is een aantal maal verlengd. Op
12 september 2003 werd eiser aangesteld bij het beroepspersoneel van de zeemacht voor onbepaalde tijd.
2 Verweerder heeft eisers verzoek om zijn ontslagleeftijd te verlagen van 60 jaar naar 55 jaar afgewezen. Daartoe is gemotiveerd dat artikel 39a, eerste lid, niet op eiser van toepassing is gelet op de datum waarop eiser werd aangesteld voor onbepaalde tijd.
Verweerder volgt eisers betoog niet dat het onderscheid tussen personeel met een aanstelling voor bepaalde tijd en personeel met een aanstelling voor onbepaalde tijd onrechtmatig zou zijn. Bij het verhogen van de ontslagleeftijd is voor personeel dat op dat moment voor onbepaalde tijd aangesteld was overgangsrecht gemaakt. Deze overgangsbepaling ligt in de lijn van de redelijkheid omdat het onevenredig bezwarend is personeel, dat langere tijd een bepaalde ontslagleeftijd in het vooruitzicht heeft gehad, bij het naderen van die datum te confronteren met een substantiële aanpassing van die ontslagleeftijd. Niet in geschil is dat eiser pas voor onbepaalde tijd is aangesteld nadat deze verhoging van de ontslagleeftijd intrad. Voor eiser was het op dat moment al duidelijk dat hij niet in aanmerking kwam voor de ontslagleeftijd van 55 jaar.
Ten tweede volgt uit het karakter van de werkzaamheden van Defensie dat de organisatie een piramidevormig personeelsbestand nastreeft. Om dat doel te bereiken zijn er in de loop der tijd verschillende beheersmaatregelen van het personeelsbestand geweest. Een van die maatregelen was om personeel op uitvoerend niveau een aanstelling voor bepaalde tijd te verlenen. Op die wijze wordt doorstroom naar hogere rangen beperkt.
3 Eiser kan zich in het besteden besluit niet vinden en voert daartoe aan dat de genoemde voorwaarde in artikel 39a, eerste lid, sub a onder 6, van het AMAR ontoelaatbaar is, nu hiermee een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen personeel met een aanstelling voor bepaalde tijd en een aanstelling voor onbepaalde tijd. Op grond van de Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) is het niet toegestaan om zonder objectieve rechtvaardiging medewerkers met een aanstelling voor bepaalde tijd minder gunstig te behandelen dan vergelijkbare medewerkers in vaste dienst. Een dergelijk onderscheid is ook in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van de Grondwet.
Verweerders stelling dat eiser nooit tot de doelgroep van artikel 39a, eerste lid, van het AMAR heeft behoord levert geen objectieve rechtvaardiging op voor het verboden onderscheid. Ook het argument van de beheersmaatregel ten behoeve van de piramidale opbouw van het personeelsbestand kan niet als een dergelijke rechtvaardiging dienen, aldus eiser.
4 Ingevolge artikel 39a, eerste lid, aanhef en onder a, onder 6, wordt in afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, op aanvraag leeftijdsontslag verleend aan de militair die voor 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel bij het bereiken van de volgende ontslagleeftijd: Voor de militair ingedeeld bij de koninklijke marine zonder rang, of die een rang bekleedt lager dan luitenant ter zee der derde klasse, die de leeftijd van vijftig jaar bereikt in het jaar 2018 tot en met het jaar 2024: vijfenvijftig jaar.
5 Tussen partijen is in geschil of er een objectieve rechtvaardiging bestaat om medewerkers met een aanstelling voor bepaalde tijd minder gunstig te behandelen dan vergelijkbare medewerkers met een aanstelling voor onbepaalde tijd.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door verweerder genoemde redenen voor het gehanteerde onderscheid inderdaad aan te merken zijn als een objectieve rechtvaardiging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet zo is.
Eisers betoog lijkt er op neer te komen dat een onderscheid nooit mogelijk is, gelet op de verschillende door eiser genoemde regelingen. Daarin kan de rechtbank eiser niet volgen. Zolang de gegeven reden een objectieve rechtvaardiging vormt, is nu juist wel toegestaan een onderscheid te maken. Datzelfde blijkt ook uit de wettekst van het door eiser ter zitting aangehaalde artikel 12p, tweede lid, van de Wet ambtenaren Defensie.
Het bovenstaande neemt niet weg dat, zoals verweerder ook erkent, de toepassing van de regels vervelend voor eiser uitpakt aangezien hij buiten zijn schuld om tweemaal een kans op een lagere pensioenleeftijd is misgelopen. Dit gegeven leidt evenwel niet tot een ander oordeel.
6 Het beroep is ongegrond.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2020.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.