Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-08-23
ECLI:NL:RBDHA:2019:9162
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.5015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. de Vita).
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 12 maart 2019 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat eiser met ingang van 1 maart 2019 met een inbewaringstelling (ibs) in GGZ Rivierduinen is opgenomen vanwege ernstige psychische problemen. De behandeling van het beroep op 21 maart 2019 is daarom aangehouden tot 9 mei 2019.
Bij beschikking van 8 april 2019 heeft de rechtbank Den Haag een machtiging tot voorzetting van de ibs van eiser in een psychiatrische ziekenhuis verleend tot en met 29 april 2019.
Verweerder heeft bij brief van 6 mei 2019 meegedeeld voornemens te zijn gezien de psychische problematiek van eiser een BMA-advies aan te vragen. Verder staat in deze brief dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening (en daarmee het opschorten van de overdrachtstermijn).
Bij uitspraak van 6 mei 2019, NL19.5016, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, een voorlopige voorziening getroffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep is beslist.
Op 7 mei 2019 heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat de rechtbank Overijssel bij beschikking van 7 mei 2019 een voorlopige machtiging voor de verlenging van het verblijf van eiser in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend voor de duur van zes maanden. Eiser verblijft sinds 9 april 2019 in het Centrum Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht.
De behandeling van het beroep op 9 mei 2019 is daarom aangehouden.
Op 29 juli 2019 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om het beroep op zitting te behandelen.
Bij brief van 6 augustus 2019 heeft verweerder een nota van het BMA van 26 juni 2019 overgelegd. Daarin heeft het BMA aan verweerder laten weten de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat de medische stukken als onvolledig zijn beoordeeld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 10 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag. De Italiaanse autoriteiten zijn op 25 november 2018 akkoord gegaan met terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd op 11 mei 2018. Na onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening hebben de Duitse autoriteiten als geboortedatum van eiser 31 december 1998 aangehouden. Verweerder heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 januari 2017 en 15 augustus 2017 voornoemde geboortedatum van Duitsland overgenomen.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek omdat eiser minderjarig is. Verweerder ging in de beginfase van eisers asielprocedure uit van diens minderjarigheid. Vervolgens gaat verweerder ten onrechte uit van de uitkomst van het botonderzoek dat door de Duitse autoriteiten bij eiser is verricht en op grond waarvan is vastgesteld dat eiser meerderjarig zou zijn. Verweerder dient uit te gaan van de door eiser bij het gehoor van 13 oktober 2018 opgegeven geboortedatum 13 december 2001.
Eiser heeft verder aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk verantwoordelijkheidsbeginsel. Er is sprake van dermate grote aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat eiser bij overdracht aan Italië een reëel risico zal lopen op behandeling in strijd met de artikelen 3 en 13 van het EVRM. Eiser verwijst naar het AIDA country report Italië Update maart 2018, p. 85, 93, 94, het SFH-rapport van 8 mei 2019, p. 12, 14, informatie van VWN over Italië, p. 6, 7 en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6, 8 en 12 februari 2019, zittingsplaats Amsterdam, van 30 juli 2019 en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 28 juni 2019. Gelet op zijn medisch-psychische toestand is eiser aan te merken als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser stelt zich onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië op het standpunt dat overdracht naar Italië een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Hij verwijst in dit verband tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een verklaring van N. Aehnael, psychiater en H.J. Quaak, arts psychiatrisch ziekenhuis Rivierduinen van 1 maart 2019 overgelegd en verklaringen van M. Shakir, psychiater en F. Moazami Fallah, hoofdbehandelaar van CTP Veldzicht van 7 mei 2019 en 13 augustus 2019. Tevens is een overzicht van de medicatie verstrekt. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door zijn besluit te baseren op een onvolledig BMA-advies. Gelet op de door eiser verstrekte medische informatie is het aan verweerder om iedere twijfel weg te nemen over de gevolgen die een overdracht zou kunnen hebben op zijn gezondheid. Verweerder had nader onderzoek moeten laten verrichten door het BMA. Voor zover verweerder uitgaat van eisers meerderjarigheid is eiser van mening dat verweerder met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van zijn aanvraag aan zich dient te trekken, zodat eiser de noodzakelijke medische en psychische behandeling kan krijgen.
4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 6 augustus 2019 op het standpunt gesteld dat eiser vanwege de opname in CTP Veldzicht op grond van de Wet Bopz momenteel niet zonder meer in staat is om te reizen. Verweerder wijst erop dat het BMA de aanvraag niet in behandeling heeft genomen en dat een nadere medische duiding van de situatie van eiser ontbreekt. Naar de mening van verweerder brengt daarom eisers overdracht aan Italië op zichzelf geen aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand met zich mee. Het is aan eiser om objectieve gegevens aan te dragen waaruit een dergelijke situatie blijkt. Hieruit volgt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verweerder ervan uit mag gaan dat voor eiser adequate behandelmogelijkheden bestaan in Italië die vergelijkbaar worden geacht met de behandelmogelijkheden in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet het geval is. Verweerder zal overeenkomstig artikel 32 van de Dublinverordening de Italiaanse autoriteiten informeren over eisers medische omstandigheden. Indien de Italiaanse autoriteiten melden dat zij niet in de benodigde zorg kunnen voorzien, zal verweerder de overdracht opschorten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Minderjarigheid
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraken van 17 januari 2017 en 20 maart 2017, volgt dat informatie uit één andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Verder volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 9 augustus 2017 en 15 augustus 2017, dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van mag uitgaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Vaststaat dat eiser eerder internationale bescherming heeft gevraagd in Duitsland. Indien eiser van mening is dat het door de Duitse autoriteiten uitgevoerde leeftijdsonderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en tot een onjuiste uitkomst heeft geleid, had eiser daarover bij de Duitse autoriteiten moeten klagen. Verweerder heeft eiser terecht als meerderjarig aangemerkt. Artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening is dus niet van toepassing. Dat betekent dat Italië inderdaad op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Anders dan eiser heeft betoogd in beroep, kan de overgelegde en aangehaalde landeninformatie niet leiden tot het oordeel dat bij Italië niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de opvangcondities in Italië niet rooskleurig zijn, maar dat deze niet zijn aan te merken als zodanig ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat overdracht leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Met betrekking tot het AIDA-rapport verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2019 waarin wordt geconcludeerd dat daarmee niet aannemelijk wordt gemaakt dat de vreemdelingen bij terugkeer geen opvang zullen krijgen. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen dan de Afdeling in de genoemde uitspraken. Dat betekent dat verweerder niet met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag aan zich hoefde te trekken.
Kwetsbare persoon
7. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 4 januari 2019 heeft overwogen, volgt uit voornoemd arrest in de zaak C.K. tegen Slovenië, dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden.
Conclusie
9. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsvereiste genomen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen om verweerder de gelegenheid te geven het BMA een nader advies te geven en vervolgens een nader standpunt in te nemen. Overwogen wordt dat verweerder de reeds in mei 2019 geboden gelegenheid om het BMA (nader) te laten adviseren tot de zitting van 15 augustus 2019 achterwege heeft gelaten.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, ½ punt voor nadere stukken en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280
(twaalfhonderdtachtig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.
Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
Bureau Medische Advisering
Verordening (EU) nr. 604/2013
ECLI:NL:RVS:2017:134
ECLI:NL:RVS:2017:2219
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
VluchtelingenWerk Nederland
NL19.1111, NL19.1107 en NL19.1681
NL19.11691, NL19.11693 en NL19.1 1695
ECLI:NL:RBDHA:2019:6493
EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
ECLI:EU:C:2017:127
Kenmerk: 201 707088/1/V3
ECLI:NL:RVS:2017:134
ECLI:NL:RVS:2017:780
ECLI:NL:RVS:2017:2159
ECLI:NL:RVS:2017:2219
Onder meer uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861)
ECLI:NL:RVS:2019:2727
ECLI:NL:RVS:2019:23