Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2019:7265
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,471 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.11242
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2019
in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.11243, plaatsgevonden op 4 juni 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.R. de Groot.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.
2. Eiser stelt in de eerste plaats dat verweerder hem niet mag overdragen aan Italië, omdat uit de rapporten van 16 april 2019 afkomstig van AIDA en van 8 mei 2019 afkomstig van SFH/OSAR blijkt dat de tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Italië zo ernstig zijn dat verweerder ten aanzien van Italië niet meer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn stelling inhoudt dat kwetsbare personen niet kunnen worden overgedragen. Hij voert aan dat hij een kwetsbaar persoon is, omdat hij tijdens zijn detentie in Libië is gemarteld en hij daar nog steeds fysieke en mentale klachten van ondervindt.
2.1
De rechtbank stelt vast dat uit het patiëntdossier van eiser blijkt dat hij lijdt aan pijn in zijn spieren en botten. Ook heeft eiser scherven in de linkerflank van zijn rug en lijdt hij aan nachtmerries. Het dossier vermeldt verder dat eiser geen zelfmoordgedachten heeft. Verweerder heeft er tijdens de zitting terecht op gewezen dat dit dossier weliswaar klachten beschrijft, maar dat er geen diagnose in wordt gesteld. Wat ook ontbreekt is een medisch oordeel over de eventuele gevolgen van overdracht aan Italië. Het door eiser overgelegde dossier vormt daarom onvoldoende bewijs dat eiser als kwetsbaar persoon moet worden beschouwd. Los daarvan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Italië niet aan zijn specifieke medische behoeften kan voldoen. De medische klachten van eiser staan daarom niet aan overdracht aan Italië in de weg. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser voert verder aan dat verweerder bij het ‘Aanmeldgehoor Dublin’ van
3 januari 2019 gebruik had moeten maken van een beëdigde tolk in zijn taal.
3.1
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het gehoor geen beëdigde tolk is ingezet voor de taal Arabisch (Tsjadisch). Het bestreden besluit bevat als uitleg daarvoor de mededeling dat het wegens de beperkte beschikbaarheid van tolken niet altijd mogelijk is om een beëdigde tolk in te zetten en een verwijzing naar de informatiefolder ‘toelichting tolken inzet IND’.
Verweerder heeft tijdens de zitting als primair standpunt ingenomen dat de verwijzing naar de folder voldoende toelichting geeft waarom geen beëdigde tolk is ingezet. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk tijdens het gehoor. Er is immers niet gebleken van communicatieproblemen tussen de tolk en eiser, aldus verweerder.
3.2
Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) dient verweerder uitsluitend gebruik te maken van beëdigde tolken of vertalers.
Op grond van het derde lid kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.
3.3
Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 februari 2014 en 29 april 2019 volgt dat artikel 28, derde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in dat lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, zodat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden nagegaan of verweerder zich heeft gehouden aan de voorwaarden die artikel 28, derde lid, van de Wbtv stelt. De verwijzing naar de folder ‘toelichting tolken inzet IND’ biedt weliswaar inzicht in de moeite die verweerder in het algemeen kan hebben bij de inzet van beëdigde tolken, maar schept geen duidelijkheid over de vraag waarom dat bij dit gehoor niet is gelukt. Naar het oordeel van de rechtbank vereist artikel 28, derde lid, van de Wbtv een op het specifieke geval toegespitste toelichting, terwijl deze ontbreekt in het bestreden besluit. Het primaire standpunt van verweerder houdt daarom geen stand.
Het standpunt dat verweerder subsidiair heeft ingenomen, kan ook geen stand houden. De rechtbank komt namelijk niet toe aan de vraag of eiser in zijn belang is geschaad door het gebruik van een niet-geregistreerde tolk, omdat het gebrek van het bestreden besluit ligt in het ontbreken van een toelichting daarop. Het toelaten van het subsidiaire standpunt van verweerder zou dus de onwenselijke situatie creëren dat verweerder (in strijd met artikel 28 van de Wbtv) in het geheel niet hoeft uit te leggen waarom in een individueel geval geen beëdigde tolk is ingezet.
4. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 28 van de Wbtv. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om dat in dit geval te doen. Dat herstellen kan met een aanvullend besluit, indien nodig na of tegelijkertijd met (gedeeltelijke) intrekking van het bestreden besluit. In het nieuwe besluit moet worden vermeld waarom er in dit geval geen beëdigde tolk beschikbaar was en daar ook niet op gewacht kon worden. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier.
5. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb de rechtbank binnen één week mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep.
Dictum
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
draagt verweerder op om de rechtbank binnen één week mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
stelt verweerder in de gelegenheid om het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak binnen vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.F. van den Brink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 12 juni 2019.
griffier
rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:RVS:2014:600.
ECLI:NL:RVS:2019:1395.
ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.