Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-05-03
ECLI:NL:RBDHA:2019:4827
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.7881
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen,[naam 2] ,
[naam 3] ,
[naam 4]
,
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 april 2019 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.7882, plaatsgevonden op 18 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.M.Faes-Matsko.
Overwegingen
1. Eiseres is burger van Tadzjikistan en is geboren op [geboortedatum] . Haar kinderen zijn geboren op [geboortedatum 2] , respectievelijk [geboortedatum 3] en [geboortedatum 4] . Eiseres en haar man, [naam 5] , geboren [geboortedatum 5] en eveneens burger van Tadzjikistan, hebben in Polen op 2 januari 2017 en 28 december 2017 asielaanvragen ingediend, die beide zijn afgewezen. Op 28 december 2018 hebben ze een derde asielaanvraag ingediend in Polen, waarvan de uitkomst onbekend is. Eiseres heeft op
6 december 2018 hier te lande asiel aangevraagd.
2. Verweerder heeft op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Verweerder heeft de Poolse autoriteiten verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 31 december 2018 hebben deze hiermee ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Verweerder heeft verder bij het bestreden besluit overwogen dat, gelet op het claimakkoord, Polen garandeert het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling te nemen. Voorts stelt verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 januari 2019 alsmede de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018 en 16 februari 2018 op het standpunt dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en er alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding is om daarvan af te wijken. In het geval van eiseres is geen grond voor de conclusie dat haar aanvraag in Polen niet op deugdelijke wijze zal worden behandeld en een eventuele afwijzing niet op onafhankelijke wijze door de rechtspraak zal worden getoetst. Evenmin is er sprake van een risico op (in)direct refoulement bij overdracht aan Polen. Verder heeft eiseres haar vrees dat zij bij terugkomst in Polen direct in vreemdelingenbewaring geplaatst zal worden, niet aannemelijk gemaakt. Indien eiseres van mening is dat Polen zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van haar niet zal nakomen, dient zij zich te beklagen bij de (hogere) Poolse autoriteiten. Voor zover eiseres stelt gezondheidsproblemen te hebben heeft zij nagelaten dat te onderbouwen. Daarbij komt dat Polen dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en eiseres moet worden geacht ook in Polen medisch goed behandeld te kunnen worden. Verweerder ziet geen aanleiding om de aanvraag van eiseres onverplicht op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.
3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiseres is van mening dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de Poolse asielprocedure waardoor er ten aanzien van Polen niet (meer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Door hervormingen in Polen ten aanzien van de rechterlijke macht kan niet langer zonder meer uit worden gegaan van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Er is ook een artikel 7-procedure opgestart bij de Europese Commissie tegen Polen wegens schending van het recht op fair trial. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 18 januari 2019. Overdracht van eiseres aan Polen is in strijd met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM.
5. De rechtbank stelt voorop dat Polen is aangesloten bij het EVRM en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag). In beginsel mag verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Polen zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten aanzien van Polen niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel .
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres het bestaan van zodanige tekortkomingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Polen heeft opgestart en dat er zorgen zijn omtrent de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen vanwege hervormingen van het Poolse justitiële stelsel, maakt zonder nadere motivering nog niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 30 januari 2019 dat het starten van een artikel 7-procedure alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De mogelijkheid voor burgers om zich voor bescherming tot de Poolse autoriteiten te wenden, is niet in het geding. Eiseres heeft niet concreet aangegeven welke gevolgen de inbreukprocedure heeft voor de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen, noch in welk opzicht dat op haar persoonlijke omstandigheden van invloed zou zijn. Van ernstige tekortkomingen, die aan de overdracht van Dublinclaimanten aan Polen in de weg zouden staan, is de rechtbank niet gebleken.
7. Eiseres heeft verder erop gewezen dat haar asielaanvragen in Polen zijn afgewezen en dat zij bevreesd is voor (in)direct refoulement in geval zij overgedragen wordt. De vrees van eiseres voor indirect refoulement is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Polen heeft zich met het claimakkoord verplicht om het asielverzoek van eiseres te behandelen. Indien sprake is van eventuele problemen dient daarover te worden geklaagd bij de desbetreffende autoriteiten, zie ook het arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008. Niet is gebleken dat voor eiseres die mogelijkheid niet bestaat.
8. Eiseres vreest voorts dat zij en de kinderen in Polen in vreemdelingendetentie zullen worden geplaatst in afwachting van hun uitzetting aldaar. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 1 februari 2019. Deze uitspraak ziet op een gezin, afkomstig uit Tsjetsjenië met de Russische nationaliteit, dat na terugkeer vanuit Duitsland naar Polen gedurende acht maanden in een gesloten vreemdelingencentrum moest verblijven. Eiseres heeft echter in het aanmeldgehoor van 12 december 2018, p. 5, verklaard dat zij gedurende de periode dat haar asielprocedure in Polen werd behandeld, een jaar met haar gezin in Gdansk heeft gewoond totdat zij op 20 januari 2018 een negatieve beslissing kregen en zijn vertrokken. Eiseres heeft in tegenstelling tot het gezin uit Tsjetsjenië niet op basis van eigen, eerdere ervaringen te vrezen voor langdurige detentie, noch heeft zij destijds een kennisgeving ontvangen dat zij in vreemdelingendetentie geplaatst zou gaan worden in afwachting van haar eventuele uitzetting. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres, indien zij meent dat Polen zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van haar niet zal nakomen en zij vreest voor langdurige detentie, zich met klachten kan wenden tot de Poolse (hogere) autoriteiten.
9. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat in geval van overdracht aan Polen de eenheid van het gezin bedreigd wordt. De vader verblijft in Duitsland en eiseres vraagt met hem herenigd te worden. Verweerder dient ofwel een claim bij Duitsland te leggen, ofwel zelf de aanvraag in behandeling te nemen. Overdracht aan Polen betekent een inbreuk op het recht op het uitoefenen van gezinsleven. Eiseres beroept zich in dit verband op artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft desgevraagd ter zitting verklaard niet te weten waar haar echtgenoot momenteel verblijft, noch wat zijn verblijfsstatus is in Duitsland.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013
ECLI:EU:C:2018:586
ECLI:NL:RVS:2019:282
ECLI:NL:RBDHA:2018:5132
ECLI:NL:RBDHA:2018:10141
zaaknummer NL18.22882
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, JV 2009/41
zaaknummers NL18.22873 en NL18.22875