Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2019:4454
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,280 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.5711 en NL19.5713
v-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , eiser,
[naam 2]
, eiseres,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam 3]
, geboren op [geboortedatum] ,
[naam 4]
, geboren op [geboortedatum 2] ,
[naam 5]
, geboren op [geboortedatum 3] ,
[naam 6]
, geboren op [geboortedatum 4] ,
[naam 7]
, geboren op [geboortedatum 5] ,
[naam 8]
, geboren op [geboortedatum 6] ,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Akhiat),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).
Procesverloop
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL19.5712 en NL19.5714, plaatsgevonden op 29 maart 2019.Eiser en zijn zoon [naam 4] (hierna: de zoon) zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Hendriks. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1, Eiser en eiseres (partners) stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 7] en [geboortedatum 8] en bezitten de Servische nationaliteit. Zij behoren tot de Roma- bevolkingsgroep. Op 21 februari 2019 hebben zij asielaanvragen ingediend, waarbij de aanvraag van eiseres ook is ingediend voor de zes minderjarige kinderen van eisers. Aan de aanvragen hebben eisers ten grondslag gelegd dat de zoon medische problemen heeft en medische zorg behoeft. Eisers hebben ook economische problemen en vrezen vanwege hun leefomstandigheden dat de zoon van eisers uit huis zal worden geplaatst. Eerder is een dochter van eisers door de autoriteiten uithuisgeplaatst.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) en aan eisers een inreisverbod opgelegd van twee jaar. Verweerder volgt eiser in zijn gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst. Ook volgt verweerder eiseres in haar gestelde nationaliteit, maar vanwege het ontbreken van identificerende documenten niet in haar gestelde identiteit en herkomst. Verweerder acht de door eisers gestelde medische problematiek en de angst voor uithuisplaatsing van de zoon niet geloofwaardig. De economische situatie van eisers vormt geen aanleiding om eisers in het bezit te stellen van een asielvergunning. De aanvragen zijn afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Servië, ook voor Roma, wordt beschouwd als een veilig land van herkomst. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Servië jegens hen zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.
3. Op wat eisers in beroep hebben aangevoerd, word hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat eisers geen gronden hebben aangevoerd ten aanzien van het standpunt van verweerder dat economische motieven geen aanleiding vormen om eisers in het bezit te stellen van een asielvergunning.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is de door eisers genoemde medische problemen van de zoon. Terecht heeft verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij deze medische problemen op geen enkele wijze met documenten hebben onderbouwd. Eisers zijn afkomstig uit een veilig land van herkomst en van hen mag dan ook verwacht worden dat zij deze medische problemen met stukken kunnen onderbouwen. Dat de zoon een litteken heeft op zijn voorhoofd betekent nog niet dat hij op grond van medische redenen in aanmerking zou komen voor, al dan niet tijdelijk, verblijf in Nederland. Eisers hebben hun vrees voor uithuisplaatsing van de zoon evenmin aannemelijk gemaakt. Daarnaast hebben eisers niet met documenten onderbouwd dat een dochter eerder ook uithuisgeplaatst is. Uit het door eisers overgelegde rapport van United Nations, Committee on the Rights of the Child van 7 maart 2017 blijkt weliswaar dat het voorkomt dat Roma-kinderen uithuisgeplaatst worden, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat eisers voor de zoon ook dit risico lopen. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt toegelicht en terecht opgemerkt dat de gestelde situatie van de dochter niet vergelijkbaar is met die van de zoon. Immers is de zoon – zo stellen eisers – op anderhalf jarige leeftijd geopereerd en heeft hij nadien zonder problemen bij zijn ouders verbleven, terwijl de dochter kampte met nierproblemen en vanwege de leefomstandigheden als baby al uithuisgeplaatst is.
6. Gelet op het voorgaande hebben eisers hun asielrelaas niet aannemelijk gemaakt. Nu eisers hun gestelde problemen in het geheel niet met stukken hebben onderbouwd en hiervoor ook geen bevredigende verklaring hebben gegeven, behoeft eisers ook niet het voordeel van de twijfel te worden gegund als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder heeft evenmin aanleiding hoeven zien nader onderzoek te laten verrichten in het kader van de samenwerkingsverplichting. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder niet conform de Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgehad.
7. Ter beoordeling ligt vervolgens de vraag of Servië voor eisers als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.
8. Vaststaat dat Servië is aangewezen als een veilig land van herkomst, omdat in dit land wet- en regelgeving bestaat die behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat deze wet- en regelgeving wordt toegepast, en er een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Dit gaat ook op voor mensen met een Roma-achtergrond. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2017, 3 augustus 2017 en 24 september 2018. Uit deze uitspraken valt af te leiden dat Roma het in Servië inderdaad moeilijk hebben, maar niet dat discriminatie en geweld tegen Roma op een dermate grote schaal voorkomt dat Servië voor hen geen veilig land van herkomst is. Dit blijkt evenmin uit de door eisers overgelegde rapporten die door verweerder reeds in de bestreden besluiten zijn betrokken. Verweerder heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat Servië voor Roma als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.
9. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege hun Roma-afkomst in Servië dusdanig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers geen problemen hebben ondervonden aan de zijde van de Servische autoriteiten. Zij zijn in het bezit gesteld van een paspoort en een identiteitskaart. Zij hadden een woning, eiser heeft werk gehad en ook hadden eisers toegang tot de gezondheidszorg. Dat de kinderen niet altijd naar school gingen, was vanwege gebrekkige hygiëne en kledij en niet vanwege de etnische afkomst van eisers. Niet is gebleken dat eisers voor hun problemen bescherming hebben gezocht bij de (hogere) Servische autoriteiten of dat het vragen van hulp bij de Servische autoriteiten bij voorbaat zinloos is.
10. De asielaanvragen zijn terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen de opgelegde inreisverboden zijn geen afzonderlijke gronden geformuleerd.
11. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.37f, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
ECLI:NL:RVS:2017:13, ECLI:NL:RVS:2017:2115 en ECLI:NL:RVS:2018:3090
United Nations, Convention on the Rights of the Child van 7 maart 2017 en Written Comments of the European Roma Rights Centre Concerning Serbia, For Consideration by the Human Rights Council, Working Group on the Universal Periodic Review, of the 29th Session (January-February 2018) en US Department of State over 2015