Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2019:2162
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,666 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.17670
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiseres
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. drs. C.G. Matze),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovaçs).
Procesverloop
Bij uitspraak van 21 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij uitspraak van 19 september 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) het daartegen door verweerder ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
Eiseres heeft de beroepsgronden aangevuld en meegedeeld te willen worden gehoord op een nadere zitting.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL18.17666 en NL18.17682. Eiseres en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Zambiaanse nationaliteit. Zij is in mei 2015 samen met haar zus [naam 2] Nederland ingereisd met gebruikmaking van een visum voor kort verblijf. Op 12 augustus 2015 heeft zij asiel aangevraagd.
2. Kort weergegeven heeft eiseres het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Op een dag is eiseres door een onbekende vrouw meegenomen, weg van het huis van haar oom en tante waar zij sinds het overlijden van haar ouders woonde. Deze vrouw heeft eiseres gedwongen tewerkgesteld en mishandeld. Op enig moment is eiseres door een man verkracht. Vervolgens is eiseres op de markt, waar zij bananen moest verkopen, in haar stamtaal aangesproken door twee mannen die in het bezit waren van een foto van haar zus. De mannen hebben eiseres teruggebracht naar haar oom en tante. De oom van eiseres was echter niet blij om haar te zien en ook hij heeft haar verkracht. Eiseres en haar zus zijn naar een vriendin gevlucht. Na verloop van tijd zijn zij op straat gezet. Zij hebben in armoede geleefd en zijn in deze periode herhaaldelijk seksueel misbruikt. Vervolgens zijn eiseres en haar zus weggegaan naar een onbekende plek. Van daaruit heeft een oude, onbekende man hen geholpen om reisdocumenten te verkrijgen en naar Nederland te gaan, waarbij hij aanwijzingen heeft gekregen van de hier te lande verblijvende tante [naam 3] .
3. Verweerder acht deze verklaringen van eiseres ongeloofwaardig. Daarnaast werpt verweerder tegen dat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld voor het indienen van haar asielaanvraag.
4. Op wat eiseres in beroep hiertegen heeft aangevoerd wordt hieronder ingegaan.
Omvang van het geding
5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet een teruggewezen zaak worden beoordeeld en daarop worden beslist binnen de grenzen van het geding zoals dat in eerste aanleg was afgebakend, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing.
6. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 september 2018 geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat eiseres niet coherent, consistent en volledig kon verklaren. De Afdeling heeft er daarbij op gewezen dat onbestreden is gebleven dat uit het rapport van nader gehoor blijkt dat met de in het FMMU-advies vermelde beperkingen zoveel mogelijk rekening is gehouden. Er is verder rekening gehouden met de leeftijd en situatie van eiseres en tijdens het nader gehoor is niet gebleken dat eiseres niet in staat was om haar asielrelaas naar voren te brengen. Eiseres heeft afgezien van de haar geboden mogelijkheid om haar relaas op schrift te stellen. In overleg met haar gemachtigde is zij gehoord met haar zus als tolk. Ten slotte is er geen informatie ingebracht waaruit volgt dat de problematiek waarmee zij bekend is van invloed is op haar vermogen om te verklaren, aldus de Afdeling.
7. Gelet hierop maken de beroepsgronden dat eiseres vanwege haar psychische gesteldheid en vanwege communicatieproblemen niet goed heeft kunnen verklaren niet langer onderdeel uit van het geding. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot een beoordeling van de overige beroepsgronden.
Zorgvuldigheid
8. Eiseres voert aan dat zij zich er niet mee kan verenigen dat het bestreden besluit is opgesteld door dezelfde ambtenaar die het gehoor met haar heeft afgenomen. Daarbij wijst zij op de aanbeveling in het rapport ‘De geloofwaardigheid gewogen’ van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken van mei 2016, om de functies van hoormedewerker en beslismedewerker strikt gescheiden te houden. De rechtbank gaat aan deze beroepsgrond voorbij. Allereerst is er geen rechtsregel aan te wijzen die een dergelijke scheiding voorschrijft. Daarnaast heeft eiseres niet geconcretiseerd hoe zij door verweerders handelwijze zou zijn benadeeld.
9. Ook voert eiseres aan dat verweerder de relevante elementen van haar asielrelaas niet volgens diens Werkinstructie 2014/10 heeft vastgesteld. Eiseres wijst er op dat het daarbij gaat om het identificeren van de kern van het asielrelaas: de feiten, omstandigheden en gebeurtenissen die in verband staan met de definitie van vluchtelingschap dan wel de vrees voor een onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres komt vervolgens tot een andere rubricering van de verschillende onderdelen van haar asielrelaas dan verweerder. Hieruit kan echter niet worden opgemaakt dat aspecten die behoren tot de kern van het asielrelaas van eiseres door verweerder buiten beschouwing zijn gelaten.
De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Geloofwaardigheid
10. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij vaag en niet-plausibel heeft verklaard over de gestelde gebeurtenis dat zij door een onbekende vrouw is meegenomen naar een dorp waar men een andere taal sprak waar eiseres niets van begreep. Zo heeft eiseres niets over deze vrouw kunnen verklaren. Verweerder acht het verder opmerkelijk dat uit de verklaringen van eiseres moet worden afgeleid dat zij in staat zou zijn geweest om te communiceren met deze vrouw, alsook met een toevallige straatverkoper die behulpzaam zou zijn geweest bij het opsporen van eiseres. Eiseres spreekt immers alleen Lala, welke taal slechts door een zeer beperkt deel van de bevolking in Zambia wordt gesproken. De opmerking in het beroepschrift dat niet duidelijk is in hoeverre de Lala-taal significant afwijkt van andere talen en dialecten in Zambia, noch de suggestie van de gemachtigde dat anderen misschien wel Lala spraken, biedt een onvoldoende weerlegging van bovengenoemde tegenwerping. Eiseres wordt niet gevolgd in de stelling dat verweerder hierop had moeten doorvragen, aangezien het aan haar is om haar relaas aannemelijk te maken.
11. Verweerder heeft evenmin ten onrechte tegengeworpen dat eiseres niet plausibel heeft verklaard over haar ontsnapping aan de man die haar had opgesloten en bedreigd met een mes. Zoals verweerder terecht stelt, is het enerzijds opmerkelijk dat eiseres aan die situatie zou zijn ontsnapt en valt anderzijds niet in te zien dat zij niet eerder heeft weten te ontsnappen, nu zij – naar eigen zeggen als verkoopster van bananen op de markt - bewegingsvrijheid had. In de gronden van beroep wordt bestreden dat een en ander ongeloofwaardig is en wordt getracht hierover nadere uitleg gegeven. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, nu zij hiertoe gebruik had moeten maken van de correcties en aanvullingen.
12. Eiseres heeft in beroep niet (meer) gereageerd op diverse andere tegenwerpingen van verweerder. Zo heeft eiseres niets kunnen vertellen over de mannen die haar op verzoek van haar zus hebben weten op te sporen en haar hebben teruggebracht naar haar dorp. Ook heeft eiseres vaag en afwijkend van haar zus verklaard over het misbruik door haar oom. Eiseres weet niet bij welke vriendin van haar zus zij beiden geruime tijd hebben verbleven. Verder is zij niet in staat om details te noemen, in tijd en plaats, over haar verblijf op straat. Daarbij heeft verweerder terecht ook tegengeworpen dat eiseres in haar verklaringen geen melding heeft gemaakt van het feit dat haar zus in een zekere periode iedere nacht werd meegenomen door onbekenden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het begrijpelijk zou zijn dat eiseres dit niet heeft verteld, omdat zij alleen over zichzelf zou moeten verklaren.
13. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiseres vaag en niet plausibel heeft verklaard over de oude man die haar zou hebben geholpen om Zambia te verlaten.
Conclusie
20. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiseres niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
21. Het beroep is ongegrond.
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, en mr. K.M. de Jager en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
ECLI:NL:RBDHA:2017:12847
ECLI:NL:RVS:2018:3001
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2687.
Aanvullend beroepschrift pagina 3
Aanvullend beroepschrift pagina 4
Aanvullend beroepschrift pagina 4
Aanvullend beroepschrift pagina 7