Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-01-03
ECLI:NL:RBDHA:2019:1417
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.20935
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
[nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.20936, plaatsgevonden op 3 januari 2019. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand telefonisch bericht niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor een asielvergunning. Tevens is de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser door het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening heeft bereikt dat hij de uitkomst van dit beroep in Nederland mag afwachten. De beroepsgrond onder verwijzing naar het arrest Gnandi, dat ten onrechte schorsende werking is onthouden aan het instellen van beroep slaagt om die reden niet.
3. Eiser heeft in beroep bestreden dat Algerije, zijn land van herkomst, in het algemeen een veilig land van herkomst is. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Algerije een veilig land van herkomst is. Naar aanleiding van een herbeoordeling veilig land van herkomst heeft verweerder op 11 juni 2018 besloten dat de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst wordt voortgezet. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft deze herbeoordeling op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Uit de rapporten waar eiser naar heeft verwezen, komt geen ander beeld naar voren over de veiligheidssituatie in Algerije. Bovendien heeft verweerder het landenrapport van het United States Department of State al bij zijn herbeoordeling betrokken.
4. Vervolgens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser aangevoerde omstandigheden niet blijkt dat Algerije in zijn specifieke geval geen veilig land van herkomst is.
5. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit is ook de grondslag voor het onthouden van een vertrektermijn, alsmede voor het opleggen van een inreisverbod.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
Uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:630.
Vreemdelingenbeleid, Kamerstukken II 19637, nr. 2392.
Algeria 2017 Human Rights Report, United States Department of State – Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, 2017.
Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.