Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2019:13252
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,606 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.28388 en NL19.28389
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (eiser)
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.F.M. Rog).
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om zijn uitzetting bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Overwegingen
Wat vooraf ging aan dit beroep
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Op 6 november 2019 heeft hij bij verweerder een asielaanvraag gedaan. Daarbij heeft hij verklaard dat hij vanwege familieproblemen zijn land heeft verlaten. Zijn vader is een drugshandelaar, waardoor hij gebukt ging onder een slechte familienaam. Hierdoor is het eiser tot op heden nog niet gelukt om een geschikte huwelijkskandidaat te vinden.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser komt namelijk uit een veilig land van herkomst en heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet als zodanig kan gelden. Wat eiser naar voren heeft gebracht als redenen voor zijn vertrek uit Algerije ontbeert asielrechtelijke relevantie en staat niet in verband met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Eisers gronden van beroep
3. Eiser is het hier niet mee eens. Verweerder heeft Algerije ten onrechte als een veilig land van herkomst aangemerkt. Verweerder heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Hij voert aan dat de problemen waarover hij heeft verklaard duiden op ernstige schade. Verweerder heeft dat ten onrechte niet als relevant element geduid. Eiser kan hierover ook niet klagen in Algerije. Hij heeft zich gemeld bij de autoriteiten, die hem hebben verteld dat ze niks voor hem kunnen doen. Omdat verweerder de aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard, heeft hij ook niet mogen afzien van een vertrektermijn en een inreisverbod mogen opleggen.
Beoordeling
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat Algerije een veilig land van herkomst is. In het voornemen verwijst verweerder daarnaast naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2017, waarin wordt geoordeeld dat Algerije niet ten onrechte wordt aangewezen als veilig land van herkomst, behalve voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen. Verweerder stelt terecht dat de omstandigheid dat de feitelijke toepassing van het wettelijke stelsel ter bescherming van de mensenrechten verbetering behoeft niet afdoet aan het uitgangspunt dat in Algerije in zijn algemeenheid geen sprake is van vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet onderbouwd dat de situatie nu anders is en verweerder deze uitspraak daarom niet heeft mogen volgen.
5. Het vermoeden van een veilig land van herkomst kan worden weerlegd als de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende land van herkomst in zijn persoonlijke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt met zijn verklaringen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat wat eiser heeft verklaard niet duidt op problemen waarvoor internationale bescherming wordt verleend. Eisers problemen vallen niet onder daden van vervolging dan wel ernstige schade. Wat onder ernstige schade wordt verstaan, staat genoemd in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Het niet vinden van een huwelijkskandidaat valt daar zonder twijfel niet onder. Of eiser hiervoor bescherming van de Algerijnse autoriteiten kan krijgen is daarmee dus niet relevant voor het krijgen van internationale bescherming en laat de rechtbank dus buiten bespreking.
6. Ten aanzien van wat eiser heeft aangevoerd tegen het inreisverbod overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een inreisverbod uit moet vaardigen omdat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. De duur van het inreisverbod van twee jaar volgt uit artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder voert in dit verband beleid dat is neergelegd in paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op grond van dit beleid vaardigt verweerder een inreisverbod uit voor de maximale duur als genoemd in artikel 6.5a van het Vb 2000. De enkele stelling dat deze duur niet proportioneel is, maakt niet dat het inreisverbod niet had mogen worden opgelegd.
7. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak NL19.28388:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in de zaak NL19.28389:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter,
in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep wordt beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2017:630.