Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2019:12134
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,500 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.20549
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.20550, plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.K. Umar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 14 mei 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac blijkt dat eiser eerder in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft bij Italië een verzoek om terugname gedaan en de Italiaanse autoriteiten hebben dit verzoek aanvaard. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan.
3. Eiser heeft betoogd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij heeft daar slechts korte tijd opvang genoten en er is aan hem geen rechtsbijstand verleend. Er is geen sprake van een effectieve en toegankelijke asielprocedure; hij is niet of nauwelijks in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas te doen. Volgens eiser is zijn asielrelaas van belang omdat hij bij terugkeer naar Nigeria risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Dit is in Italië niet effectief getoetst. Hij stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat Nederland de behandeling van zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van
Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om
aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Italië sprake is van aan het
systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die
ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel
risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
5. De Afdeling heeft in de uitspraak van 19 december 2018 geoordeeld dat, hoewel
de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde
tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten
aanzien van Italië nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In
recente uitspraken van 12 juni 2019, 27 juni 2019 en 22 augustus 2019 heeft de
Afdeling dit oordeel bevestigd. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Italië nog altijd van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hij heeft hij geen informatie overgelegd waar dit uit zou moeten blijken. Eiser heeft bovendien zelf verklaard dat hij in Italië in de gelegenheid is gesteld om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en dat hij daar opvang heeft genoten. De rechtbank overweegt daarbij dat de Europese (asiel)richtlijnen ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Italië en de uitzetting naar Nigeria. Indien eiser meent dat de Italiaanse autoriteiten in strijd handelen met deze richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien, dient hij hierover te klagen bij de desbetreffende autoriteiten. Niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
7. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
ECLI:NL:RVS:2018:4131
ECLI:NL:RVS:2019:1861
ECLI:NL:RVS:2019:2042
ECLI:NL:RVS:2019:2845
De Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn