Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2019:10899
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,628 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/2212
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
11 oktober 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 934,29 en een bedrag van € 21.266,06 teruggevorderd.
Bij besluit van 29 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard in die zin dat eiser geen boete wordt opgelegd en voor het overige het primaire besluit gehandhaafd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2.1
Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017 herzien. Bij besluit van 2 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2
Bij uitspraak van 15 november 2018 heeft deze rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep (zaaknummer SGR 18/3457) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.
3.1
Bij het primaire besluit heeft verweerder voor zover thans van belang van eiser een bedrag van € 21.266,06 teruggevorderd.
3.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de terugvordering gehandhaafd. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan de onverschuldigd betaalde uitkering niet hoeft te worden terugbetaald.
4. Eiser bestrijdt dat hij onvolledige informatie heeft verstrekt, zodat er geen grond is voor de terugvordering. Voor zover hij toch te kort is geschoten in zijn informatiever-plichting, is dat te goeder trouw geweest, zodat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Gelet op zijn leeftijd, zijn broze gezondheid en zijn geringe inkomen - op grond waarvan er geen draagkracht is -, is er voldoende reden om de terugvordering op nihil te stellen dan wel sterk te matigen, aldus eiser.
5.1
Deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 2 mei 2018 ongegrond verklaard en is in dat kader tot het oordeel gekomen dat er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank ziet geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen. Vaststaat dat eiser deze gezamenlijke huishouding niet aan verweerder heeft gemeld, waar hij wel toe verplicht was, zodat er sprake is geweest van een schending van de informatieverplichting. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht het ouderdomspensioen van eiser heeft herzien.
5.2
Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de AOW wordt het ouderdomspensioen dat onverschuldigd is betaald door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan de Sociale verzekeringsbank, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5.3
Gelet op artikel 24, eerste lid, van de AOW, heeft verweerder terecht het bedrag aan ouderdomspensioen dat als gevolg van de herziening onverschuldigd is betaald, € 21.266,06, teruggevorderd.
5.4
Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld zijn uitspraken van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3230) en van
24 september 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3055), kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
5.5
De door eiser in beroep genoemde omstandigheden zoals zijn geringe inkomen kunnen niet als onaanvaardbare financiële gevolgen als bedoeld in deze jurisprudentie van de CRvB worden aangemerkt. Verweerder dient de beslagvrije voet te hanteren en heeft daarom een inkomensonderzoek verricht. Daarbij is eisers aflossingscapaciteit op nihil gesteld. Om die reden is bij het bestreden besluit de aanvankelijk opgelegde boete komen te vervallen. Indien zich in de toekomst geen verbetering voordoet in de financiële situatie van eiser, zo heeft verweerder ter zitting verklaard, kan eiser op termijn verzoeken om af te zien van verdere terugvordering.
Daarnaast is niet gebleken dat zich bij eiser zeer ernstige gezondheidsproblemen voordoen. De stelling van eiser dat hij een broze gezondheid heeft, is daartoe onvoldoende.
5.6
Van dringende redenen in de zin van artikel 24, vijfde lid, van de AOW is in dit geval dan ook geen sprake.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van drs.
A.C.P. Witsiers, griffier, op 11 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.