Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2018:5043
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,702 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.1114
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2018
in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [datum] 1979,
v-nummer [nummer],
van Egyptische nationaliteit,
eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.J. Douma.
Overwegingen
1. Eiser heeft eerder op 2 maart 2017 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft toen de Italiaanse autoriteiten op 17 maart 2017 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening). Zij hebben hiermee ingestemd op 3 mei 2017. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van
8 juni 2017 niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 25 augustus 2017. Eiser is op 13 september 2017 overgedragen aan de autoriteiten van Italië.
Op 2 oktober 2017 is eiser opnieuw Nederland binnengekomen. Eiser heeft op
4 oktober 2017 wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 12 oktober 2017 heeft verweerder aan de autoriteiten van Italië gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 23 oktober 2017.
2. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Italië een aanzeggingsbrief heeft gekregen om het land binnen zeven dagen te verlaten. Gelet hierop vreest eiser dat Italië hem zal uitzetten naar Egypte. Voorts is hem in Italië meegedeeld dat hij zichzelf maar moest redden.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. In de vorige procedure van eiser is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van Italië nog immer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in de onderhavige aanvraag niet alsnog aannemelijk gemaakt dat van dit beginsel niet meer uitgegaan zou kunnen worden. Eiser heeft immers geen documenten overgelegd die aanleiding geven voor het oordeel dat Italië zich ten opzichte van eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. De enkele stelling van eiser dat hij in Italië een aanzegging heeft gekregen om het land te verlaten en hij niet terug kan keren naar Egypte, biedt daartoe onvoldoende grond.
Artikel 4:6 van de Awb
4. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 16 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:14024), stelt eiser dat verweerder zijn asielaanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen.
4.1
In de uitspraak van 16 november 2017 is, kort samengevat, overwogen dat in het geval een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, een opvolgende asielaanvraag niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb kan worden afgewezen. Uit de bewoordingen van artikel 4:6 van de Awb volgt immers dat het bij toepassing van deze bepaling gaat om ‘een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking’. In het geval een andere lidstaat verantwoordelijk is, luidt de afwijzingsgrond dat de asielaanvraag ‘niet in behandeling is genomen’. Dat kan niet gelijkgesteld worden met een afwijzing van de asielaanvraag, aldus deze uitspraak.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank moet het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 materieel worden beschouwd als een afwijzend besluit op een asielaanvraag. Deze afwijzingsgrond kan niet worden gelijkgesteld met de afdoening als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb, waarbij een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Bij het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 heeft immers een inhoudelijke beoordeling van een asielaanvraag plaatsgevonden. Indien geen inhoudelijke beoordeling van een asielaanvraag kan plaatsvinden omdat onvoldoende informatie voorhanden is, kan deze op grond van artikel 30c van de Vw 2000 buiten behandeling worden gesteld.
De rechtbank merkt in dit verband voorts op dat de gewijzigde terminologie van artikel 30 van de Vw 2000 (‘niet in behandeling nemen van de asielaanvraag’) louter een gevolg is geweest van de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013 L 180; de Procedurerichtlijn). Daarmee zijn slechts de bewoordingen van de afdoeningsmodaliteit gewijzigd. De relevante criteria op grond waarvan wordt vastgesteld of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag zijn als voorheen neergelegd in de Dublinverordening. Dit volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet tot implementatie van de Procedurerichtlijn. In kamerstuk TK 2014-2015, 34088, nr. 4, pag. 8 staat daarover het volgende vermeld
‘Specifiek ten aanzien van het niet in behandeling nemen van het asielverzoek, waar de richtlijn en de Dublinverordening een grondslag voor biedt, geldt dat dit onderscheiden dient te worden van het niet in behandeling nemen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb. Bij dit laatste gaat het om een incomplete aanvraag, waarbij de aanvrager de gelegenheid krijgt om deze aan te vullen. Bij het niet in behandeling nemen van een asielverzoek op grond van de Dublinverordening gaat het binnen de systematiek van de Awb om een inhoudelijke, definitieve afdoening van de aanvraag. Om dit verschil tot uitdrukking te brengen was oorspronkelijk de formulering «afwijzen wegens het niet in behandeling nemen» opgenomen.’
4.3
De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat verweerder in zaken als de onderhavige niet bevoegd zou zijn om toepassing te geven aan artikel 4:6 van de Awb.
5. Daarom zal moeten worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.
Terugname
6. Eiser betoogt dat artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening niet van toepassing is, nu hij in Italië nooit een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft het claimverzoek ten onrechte op deze bepaling gebaseerd, aldus eiser.
6.1
Eiser heeft zijn stelling dat hij geen asielaanvraag in Italië heeft ingediend niet onderbouwd. Deze enkele stelling levert naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op. Dit klemt te meer nu de Italiaanse autoriteiten op 23 oktober 2017 expliciet hebben ingestemd met het verzoek om eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening terug te nemen, waaruit kan worden afgeleid dat hij in Italië een asielaanvraag heeft ingediend.
Aanzegging tot vertrek
7. Voor zover eiser heeft gewezen op de aanzegging tot vertrek die hij in Italië zou hebben gekregen, stelt verweerder terecht dat deze niet is overgelegd. Daarbij komt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2857) volgt dat een enkele eventuele aanzegging nog niet maakt dat eiser niet in de gelegenheid zou zijn gesteld om in Italië een asielaanvraag in te dienen. Uit het antwoord van de Italiaanse autoriteiten van 23 oktober 2017 blijkt dat de claim wordt geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, hetgeen impliceert dat eiser in Italië een (inmiddels afgewezen) asielverzoek heeft ingediend.
Conclusie
9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb niet in behandeling te nemen.
10. Daarom is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. R. Ortlep, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.