Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-02-15
ECLI:NL:RBDHA:2018:1975
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,549 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL17.4725 en NL17.4726
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen
[naam] , eiser
[naam 1] , eiseres
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de twee besluiten van 12 juni 2017 (de bestreden besluiten). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum 1] en bezitten de Iraanse nationaliteit. Op 3 november 2015 hebben eisers aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij afvallig zijn van de islam. Eiser heeft zich in Iran bekeerd tot het christendom. Om die reden hebben eisers in Iran problemen ondervonden. Eiseres heeft zich eerst in Nederland bekeerd.
3. Ter onderbouwing van hun relaas zijn de volgende documenten overgelegd:
- een verklaring betreffende eiser van 28 april 2016, van de Pinkstergemeente Jozua te Nijmegen, ondertekend door ir. J.J.M. van Oostveen;
- een verklaring betreffende eisers van 17 januari 2017, van de Baptistengemeente Appingedam, afkomstig van Letty Fokkens en Klaas Jan Dijkema;
- een door eiser zelf opgestelde verklaring van 15 oktober 2017;
- een verklaring betreffende eisers van 23 november 2017, van de Baptistengemeente Appingedam, ondertekend door Klaas Jan Dijkema;
- een verklaring over eisers van 22 november 2017, van de Pinkstergemeente Ebenhaezer Delfzijl;
- een getuigenis van eiser, opgenomen in het tijdschrift Rahe Salib, van juli 2016;
- eigen teksten van eiser op diens weblog;
- foto’s op Instagram;
- religieus gezinde teksten op eisers Facebookpagina;
- een doopcertificaat van eiseres van 29 mei 2016, afgegeven door de Pinkstergemeente Jozua te Nijmegen en een ingelijste verklaring getiteld ‘ter herinnering van de doop’.
4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nationaliteit, identiteit en herkomst van eisers geloofwaardig zijn. De afvalligheid van de islam en de bekering van eisers tot het christendom zijn volgens verweerder ongeloofwaardig.
5. Op wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.
Toetsingskader.
6. In onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, en van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2011, is beoordeeld welk toetsingskader gehanteerd moet worden bij de beoordeling of een bekering tot het christendom geloofwaardig is te achten. Bij de beoordeling van de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging past verweerder een vaste gedragslijn toe, die bestaat uit een vragenlijst welke in overleg met onder meer kerkelijke instanties en met een organisatie die de belangen behartigt van christelijke asielzoekers tot stand is gekomen. De daarin opgenomen vragen kunnen – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Ook betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Tenslotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Deze vaste gedragslijn is rechtmatig bevonden.
7. Voorts blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2068, dat het verweerder vrij staat bij de toepassing van zijn gedragslijn voor het onderzoek naar de geloofwaardigheid van een bekering, doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de motieven voor en het proces van die bekering. Dit geldt in temeer indien een vreemdeling - zoals eisers in dit geval - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888). Het is aan eisers om hun gestelde bekering tot het christendom aannemelijk te maken. Daarbij kan verweerder tevens rekening houden met de mogelijkheid dat een vreemdeling een bekering veinst om een betere verblijfspositie te verkrijgen.
Ten aanzien van eiser.
8. Eiser bekritiseert de wijze waarop verweerder in het onderdeel ‘motivering van de beslissing’, tweede alinea, van het bestreden besluit, heeft gereageerd op zijn verklaringen met betrekking tot zijn (gestelde) afvalligheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij de verklaringen van eiser die zijn weergegeven op pagina 15 van het rapport van nader gehoor niet ten onrechte gebruikt. Immers, op de vraag waarom de islam niet meer voor hem voldeed, antwoordt eiser dat bidden en vasten verplicht waren en dat alles wat hij van de islam meekreeg verplicht was. Ook verklaart hij dat Allah betekent dat alles verplicht is. Eiser heeft deze verklaringen naderhand bij de ‘aanvullingen en correcties’ niet aangepast. Verweerder kon deze derhalve gebruiken ter onderbouwing van het standpunt dat de redenen waarom eiser zich heeft afgekeerd van de islam, te algemeen van aard zijn en niet zijn gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Vervolgens acht verweerder het niet ten onrechte ongeloofwaardig dat deze redenen hebben geleid tot zo een ingrijpende afwending van het geloof van een persoon. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser is opgegroeid in een gematigd islamitisch gezin.
9. Vervolgens verwerpt eiser de stelling van verweerder, dat hij ook in de zienswijze niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij allerlei algemene gebeurtenissen (executies, massamoorden, onderdrukking, leugens, het ontstaan van IS en de jihad) als inherent aan de islam beschouwt. Zoals verweerder ook terecht in het verweerschrift heeft gesteld, oordeelt de rechtbank dat eiser ook met deze verklaring zijn gestelde afvalligheid niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij dit niet concretiseert naar zijn eigen situatie. Eiser blijft steken in algemeenheden. Van een vreemdeling die een dergelijke stap neemt kan, gelet op de gevolgen ervan, meer worden verlangd.
10. Ter zitting heeft eiser betoogd dat aan zijn verklaringen over de afstand van de islam minder gewicht dient toe te komen, nu hij bekeerd is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de redenen van eiser om zich af te keren van de islam van groot belang zijn voor de boordeling van eisers asielmotieven, omdat daar het proces van bekering is begonnen. Deze moeten daarom ten volle worden meegewogen.
11. Ter zitting heeft eiser aangedrongen op een aanvullend gehoor, omdat hij sinds zijn komst naar Nederland een ontwikkeling in zijn geloofsbeleving heeft meegemaakt. Deze is intensiever geworden, omdat hij in Nederland de ruimte hiervoor krijgt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de verklaringen die hij in beroep heeft ingebracht, waaronder zijn eigen verklaring. De rechtbank overweegt dat eiser op 3 november 2015 zijn asielaanvraag heeft ingediend en dat op 12 augustus 2016 het nader gehoor heeft plaatsgevonden. Gelet op het tijdsverloop had de intensivering van de geloofsbeleving al tijdens het nader gehoor door eiser kunnen worden verwoord. Onder deze omstandigheden acht ook de rechtbank het aanvullend horen van eiser niet aangewezen.
Ten aanzien van eiseres.
12. In beroep heeft verweerder desgevraagd ter zitting verklaard dat niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen dat zij over het moment van bekering tegenstrijdig heeft verklaard. Verweerder hanteert derhalve als uitgangspunt dat eiseres niet in Iran is bekeerd en dat haar gestelde bekering in Nederland niet meteen heeft plaatsgevonden.
Conclusie
17. De aanvragen zijn terecht afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.