Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2018-12-07
ECLI:NL:RBDHA:2018:16201
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,476 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL18.21135 V-nummer: [xxx.xxx.xxxx]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Zweerts).
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL18.21128, NL18.21129 en NL18.21136, plaatsgevonden op 4 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Kosanovic. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is van Kosovaarse nationaliteit en behoort tot de [bevolkingsgroep] . Hij is geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vrouw in Servië is uitgehuwelijkt aan een man. Zij is door deze man meegenomen en mishandeld. Zij heeft eiser opgebeld en hij is haar komen halen. Daarna zijn eiser en zijn vrouw naar Kosovo vertrokken. Daar is eiser twee keer mishandeld op straat door deze man en zijn handlangers. Ook is hij bedreigd met de dood. Eiser is met zijn vrouw naar Nederland gevlucht.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
de problemen in het land van herkomst.
4. Verweerder stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet zijn vast te stellen. De problemen in het land van herkomst acht verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Kosovo volgens hem een veilig land van herkomst is.
5.1.
Eiser voert in beroep aan dat verweerder zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst enkel niet gelooft vanwege informatie die verweerder op Facebook heeft gevonden. Dit is geen legitieme bron en verweerder heeft zijn onderzoeksmethode niet transparant gecommuniceerd.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet zijn vast te stellen, omdat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn verklaringen hierover onderbouwen. Daarnaast heeft verweerder op de zitting toegelicht dat de bevindingen op Facebook, waaruit blijkt dat eiser een openbaar profiel heeft waarop is vermeld dat hij is geboren in [plaats] , Servië, en waarop hij in het Servisch communiceert met zijn vrienden, niet van doorslaggevend belang zijn. Dit volgt ook uit de besluitvorming, waarin verweerder heeft vermeld op basis hiervan wel te twijfelen aan de door eiser gestelde Kosovaarse nationaliteit, maar desondanks uitgaat van eisers eigen verklaringen en deze ook als zodanig getoetst heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Eiser voert aan dat bij het gehoor ten onrechte geen rekening is gehouden met de taal die hij spreekt - het [dialect] - terwijl verweerder gebruik heeft gemaakt van een tolk Servisch. Eiser herkent zich niet in zijn verklaringen in het verslag van het gehoor. Bovendien is op het voorblad van het aanmeldgehoor ten onrechte vermeld dat gebruik is gemaakt van registertolk.
6.2.
Verweerder heeft op de zitting erkend dat de bij het gehoor gebruikte tolk geen registertolk is en dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom geen registertolk is gebruikt. Verweerder heeft verder toegelicht dat er voor [de bevolking] geen registertolken zijn, voor het Servisch wel. Omdat verwarring bestond over welke van deze talen eiser en zijn echtgenoot spreken, heeft verweerder voor de gebruikte tolk gekozen omdat die zowel [dialect] als het Servisch beheerst, ondanks dat er wel registertolken Servisch beschikbaar waren.
6.3.
Op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 (Afdeling) had verweerder uiterlijk in het bestreden besluit moeten motiveren waarom geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Dit is, zoals verweerder ook heeft erkend, niet gebeurd en levert daarmee een gebrek in het bestreden besluit op. Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de mogelijkheid een gebrek te passeren, mits aannemelijk is dat de belanghebbende, in dit geval eiser, niet is benadeeld door het gebrek.
6.4.
Op pagina 15 van het verslag gehoor veilig land van herkomst is te lezen:
"Heeft u tijdens dit gehoor de strekking van mijn woorden in de vertaling van de tolk goed kunnen begrijpen?
1 Zie onder meer de uitspraken ECLI:NL:RVS:2013:378 en ECLI:NL:RVS:2014:600.
Ja. Ik zweer het dat ik u en de tolk goed heb begrepen. Sorry dat ik zo uitgebreid was, maar ik moest mijn probleem vertellen.
Heeft u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?
Nee, ik ben tevreden over de ambtenaar. Ik heb tijd gehad om alles te zeggen en ik heb de tolk goed begrepen."
Zoals verweerder ook op de zitting heeft aangevoerd, is in dit geval dus niet gebleken dat er problemen zijn geweest met de vertaling van eisers verklaringen of zijn mogelijkheden vrij te kunnen verklaren. De enkele stelling dat eiser zich niet herkent in het gehoor zoals dat op papier staat, is, zonder concreet te maken op welke punten het verslag niet klopt of welke correcties en aanvullingen er op het verslag zijn te maken, onvoldoende. Nu aannemelijk is dat eiser niet is benadeeld door het gebruik van de niet-registertolk, ziet de rechtbank aanleiding het geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het betoog van eiser, dat verweerder ten onrechte zijn laaggeletterdheid niet als relevant element heeft beschouwd, slaagt niet. Zoals verweerder ook op de zitting heeft aangevoerd, heeft opleidingsniveau of analfabetisme geen raakvlakken met het Vluchtelingenverdrag. Dit kan daarom geen zelfstandige grond voor een asielvergunning opleveren.
8.1.
Eiser voert aan dat verweerder de problemen van hem en zijn echtgenote in Kosovo en Servië ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het allereerst aan eiser om zijn verhaal te onderbouwen en aannemelijk te maken. Eiser heeft geen documenten van de gestelde aangifte en uithuwelijking of medische documenten van de verwondingen als gevolg van de gestelde mishandeling overgelegd. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser en zijn echtgenote erg summier tot niets over eisers bedreiger, aan wie zij zou zijn uitgehuwelijkt, hebben verklaard. Zo weten zij beiden niet wat de naam is van deze persoon. De aanname dat de bedreiger eiser en zijn echtgenote via Facebook heeft kunnen vinden nadat zij vanuit Servië naar Kosovo waren gegaan, heeft verweerder vaag en onvoldoende onderbouwd kunnen vinden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
8.3.
Voor zover eiser betoogt dat Kosovo en Servië geen veilig landen zijn voor [bevolkingsgroep] , overweegt de rechtbank dat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft in dit verband gewezen op rapporten uit 2015, die verweerder al heeft betrokken bij de aanwijzing van Kosovo en Servië als veilige landen van herkomst (ook voor [bevolkingsgroep] ), en wat is bevestigd in vaste jurisprudentie.2 De verwijzing naar het meer recente rapport van Civil Rights Defenders3 is onvoldoende om te concluderen dat hiervan niet langer kan worden uitgegaan. Uit de door eiser aangehaalde passage volgt immers enkel dat [bevolkingsgroep] een van de drie meest
2 Zie onder meer de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 16 juli 2018 (ECLI:NL:RBNH0:2018:6155) en de uitspraken van de Afdeling van 3 augustus 2017, overweging
4.1. (
ECLI:NL:RVS:2017:2115), en van 24 september 2018, overweging 5.5.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Joumée, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
07 december 2018
Documentcode: DSR4837551
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.