Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2017:16261
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
977 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/11964
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 december 2017 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (onder wie begrepen diens rechtsvoorgangers), verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 mei 2017 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig [referent] (hierna: referent) en H. Zerigi, tolk.
Overwegingen
1. Referent, geboren op [geboortedatum] en van Eritrese nationaliteit, is vanaf 3 september 2015 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 16 november 2015 heeft hij voor eiseres een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend. Bij besluit van 22 juni 2016 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd, omdat eiseres haar identiteit, noch haar familierechtelijke relatie met referent heeft aangetoond. Van bewijsnood is geen sprake, aldus verweerder.
3. Vaststaat dat de identiteit van eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet is komen vast te staan. Eiseres heeft geen documenten overgelegd om haar gestelde identiteit te onderbouwen. Daarbij heeft zij steeds gesteld dat zij niet in het bezit kan komen van een identiteitskaart. Een en ander heeft zij ook ten grondslag gelegd aan het beroep.
4. Bij aanvullende gronden van beroep van 31 juli 2017 heeft eiseres ter onderbouwing van haar gestelde identiteit, alsnog een kopie van een identiteitskaart, met afgiftedatum 7 mei 2013, overgelegd. Hiermee heeft eiseres haar stelling dat zij in bewijsnood verkeert, gelogenstraft.
5. De slotsom is dan dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat de identiteit van eiseres niet is komen vast te staan. De in beroep overgelegde identiteitskaart leidt niet tot een geslaagd beroep, omdat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voordeden (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017).
6. Aan de vraag of sprake is van een huwelijksband komt de rechtbank niet meer toe.
Ook het beroep van eiseres op artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Richtlijn 2003/86/EG) faalt, nu eiseres haar identiteit niet met documenten heeft kunnen aantonen. Genoemde bepaling ziet op de in aanmerking te nemen bewijsmiddelen bij het beoordelen van de gezinsband en niet op het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2017:2914