Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2017:16130
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/2435 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2017 zaak tussen [eiseres] , te [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. M.A. Decoz), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), verweerder (gemachtigde: mr. P. Boer). Procesverloop Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.600,-- wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 8.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens eiseres verschenen [persoon 1] ([functie]) en [persoon 2] ([functie]). Overwegingen 1.1 Op 5 maart 2015 heeft op [straat] te [plaats] een bedrijfsongeval plaatsgevonden waarbij een werknemer van eiseres blijvend oogletsel heeft opgelopen. De werknemer was betrokken bij werkzaamheden bestaande uit het versnipperen van gesnoeid hout, waarbij gebruik werd gemaakt van een arbeidsmiddel, te weten een ingehuurde houtversnipperaar. De werknemer droeg geen persoonlijke beschermingsmiddelen om zijn gelaat c.q. zijn ogen te beschermen. Tijdens het versnipperen is (waarschijnlijk) een stukje hout in het linkeroog van de werknemer terecht gekomen. De werknemer is voor behandeling van dit opgelopen letsel opgenomen in het ziekenhuis. Het linkeroog van de werknemer is daarbij blijvend beschadigd en verloren gegaan. Naar aanleiding van het ongeval heeft een Arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW een onderzoek ingesteld en hiervan een boeterapport, gedateerd 13 juli 2015, opgemaakt en aan eiseres toegezonden. 1.2 Op 8 juli 2016 is eiseres in kennis gesteld van verweerders voornemen om een boete op te leggen van € 4.800,-- wegens overtreding van overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 8.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 1.3 Bij besluit van 1 september 2016 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 3.600,--. Het oorspronkelijke boetebedrag van 4.800,-- is daarbij gematigd omdat volgens verweerder gebleken is dat er door verweerder relevante inspanningen waren verricht om overtreding te voorkomen, namelijk door het ter beschikking stellen van de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). 2.1 Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers. Op grond van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald. 2.2 Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding tevens aangemerkt het niet naleven van de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, en 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. 2.3 Artikel 8.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) bepaalt dat indien gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van een werknemer op de arbeidsplaats aanwezig is of kan ontstaan, voor de werknemers die aan dat gevaar blootstaan of kunnen blootstaan, pe 4.3 Uit de stukken is gebleken dat het slachtoffer zich – samen met een collega – op enkele meters (schuin) achter de invoeropening van de versnipperaar bevond terwijl een derde collega een groot stuk hout in de invoerrol stopte. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er in de veiligheidsinstructies geen precieze afmetingen van de zones zijn weergegeven en dat er geen veilige afstand staat vermeld waarbuiten geen persoonsbescherming gebruikt behoeft te worden. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de veilige zone kan variëren, omdat de positie van de uitgang van de versnipperaar kan variëren. Het ongeluk heeft weliswaar plaatsgevonden aan de invoer zijde van de versnipperaar, echter uit het overzicht blijkt dat zone 1, waar beschermende kledij moet worden gedragen, zich ook aan de invoerzijde bevindt. Nu vast staat dat de versnipperaar in werking was (en er daadwerkelijk hout werd ingevoerd) op het moment van het ongeval, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het slachtoffer persoonsbescherming (gelaatsbescherming en gehoorbeschermers) had dienen te gebruiken en er dus sprake was van overtreding van de veiligheidsvoorschriften. 4.4 De rechtbank overweegt dat artikel 8.3, tweede lid, van het Arbobesluit geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. Er is daarom sprake van een overtreding indien aan de materiële voorwaarden van het artikel is voldaan. Niet in geschil is dat de werknemer van eiseres ten gevolge van werkzaamheden die hij in dienst van eiseres uitvoerde blijvend en ernstig oogletsel heeft opgelopen. Gebleken is dat de werknemer geen persoonlijke beschermingsmiddelen heeft gebruikt terwijl hij deze wel had moeten gebruiken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 8.3, tweede lid, van het Arbobesluit. 4.5 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat in beginsel de overtreding van het artikellid vaststaat, indien niet is voldaan aan het daarin vervatte voorschrift. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal dit door hem aannemelijk gemaakt moeten worden. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7467). 4.6 De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat haar geen enkel verwijt valt te maken. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zodanige voorzieningen heeft getroffen dat het gevaar dat zich bij de werkzaamheden een ongeval als het onderhavige voordoet, zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen laat onverlet dat eiseres gehouden is op deugdelijke wijze toezicht te houden op de naleving van de instructies. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat de risico-inventarisatie over het gebruik van de ingehuurde houtversnipperaar niet door eiseres is gedaan, maar door de verhuurder van de houtversnipperaar. Hetzelfde geldt voor de instructies voor het gebruik van de houtversnipperaar, welke (aan één van de werknemers van eiseres) zijn gegeven door de verhuurder, en niet door verweerder. Dit klemt temeer, nu het werken met een houtversnipperaar door de betrokken werknemers niet tot hun standaardwerkzaamheden voor eiseres behoorde, maar het ging om een incidentele werkzaamheid met een gehuurde machine. Het werken met een houtversnipperaar wordt niet vermeld in de Risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) van eiseres. 4.7 Verweerder moet bij de aanwending van zijn bevoegdheid tot het opleggen van de boete, op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder