Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-16
ECLI:NL:RBDHA:2017:16072
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 16-6241 Zaaknummer: C/09/516469 Datum beschikking: 16 november 2017 Gerechtelijke vaststelling ouderschap Beschikking op het op 12 augustus 2016 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] ., verzoekster, hierna ook te noemen: de moeder, wonende te Nepal, advocaat mr. E.L.M. Louwen te Utrecht, aangaande het vaderschap van: [de man] , de man. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Nepal, de minderjarige, hierna te noemen: [minderjarige] , in rechte vertegenwoordigd door mr. L. de Roode, advocaat te Leiderdorp, in de hoedanigheid van bijzondere curator, [naam] , de zoon van de man, wonende te [woonplaats] . Als informant wordt aangemerkt: [naam] , de zus van de man, wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens verzoekschrift van de bijzondere curator; het bericht van 29 november 2016 van de zijde van verzoekster; de schriftelijke verklaring van 10 december 2016 van de zoon van de man, inhoudende dat hij instemt met toewijzing van het verzoek, althans geen verweer wenst te voeren, en verklaart geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord; het bericht van 29 maart 2017 met als bijlage een (ongedateerde) brief van [minderjarige] , van de zijde van verzoekster; het bericht van 30 maart 2017 met bijlagen van de zijde van verzoekster. Op 24 april 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster, de bijzondere curator en de zus van de man. Daarnaast was de heer [naam] aanwezig. Verzoekster is met kennisgeving niet verschenen. [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek. Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: het bericht van 19 juli 2017 met bijlagen van de zijde van verzoekster; het bericht van 12 september 2017 met bijlagen, waaronder het rapport van het verwantschapsonderzoek, van de zijde van verzoekster; het bericht van 19 september 2017 met bijlagen van de zijde van verzoekster; het bericht van 8 oktober 2017 van de zoon van de man; het bericht van 9 oktober 2017 van de bijzondere curator; het bericht van 9 oktober 2017 van de zijde van verzoekster. Feiten Blijkens een Nepalees ‘Birth Certificate’, nummer [nr.] is [minderjarige] geboren op [geboortedatum] in het [geboorteplaats] , Nepal. Op dit ‘Birth Certificate’ staat verzoekster als moeder en de man als vader van [minderjarige] vermeld. De man is geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats] . Blijkens de door verzoekster (in kopie) overgelegde verklaring van [datum] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nepal is de man op [datum] in [plaatsnaam] , Nepal, overleden. In de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage komt geen overlijdensakte van de man voor. De man had de Nederlandse nationaliteit. Blijkens het ‘Citizenship Certificate’, nummer [nr.] is verzoekster geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Nepal. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 september 2016 is mr. De Roode voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek en verweer Het verzoekschrift strekt er toe primair bij beschikking naar Nepalees recht, subsidiair naar Nederlands recht het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen. De zoon van de man stemt in met het verzoek. De bijzondere curator voert verweer en stelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De bijzondere curator heeft vervolgens zelfstandig verzocht om het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen. Beoordeling Namens verzoekster is het volgende aangevoerd. De man is op vroege leeftijd door de Nederlandse marine uitgezonden en heeft nad Verzoekster heeft een aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) gericht advies omtrent het Nepalese afstammings- en nationaliteitsrecht van het ‘Institut Suisse de Droit Comparé’ (het Zwitsers Instituut voor Rechtsvergelijking), in samenwerking met een Nepalese deskundige, overgelegd. Uit dit advies blijkt dat er in Nepal geen adequate procedure bestaat voor het vaststellen van het vaderschap van de overleden man over [minderjarige] . Inmiddels zijn verzoekster en betrokkenen al twee jaar bezig in Nepal iets te bereiken, vooralsnog zonder succes. Er rest verzoekster nog de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek bij het Hooggerechtshof, maar deze procedure (en de uitkomst hiervan) is onduidelijk. Hoewel [minderjarige] aanspraak zou kunnen maken op de Nepalese nationaliteit door het ontkennen van haar vader, heeft dit grote nadelige gevolgen voor [minderjarige] en acht verzoekster dit in strijd met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), het recht van het kind om zijn/haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. De bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 10:6 BW en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het Nederlands recht in plaats van het Nepalese recht moet worden toegepast, nu dit de enige manier is om het vaderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen. De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de procedure tot vaststelling van het vaderschap van een (overleden) man in Nepal onvoldoende met waarborgen is omkleed en [minderjarige] in een maatschappelijke potentieel onwenselijke positie kan brengen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit voornoemd rapport van het ‘Institut Suisse de Droit Comparé’ geen bevestigend antwoord kan worden gegeven op de vragen welke procedure moet worden gevolgd, alsmede of het voeren van een procedure zal resulteren in de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over [minderjarige] . Dit zou betekenen dat er tussen [minderjarige] en de man geen familierechtelijke betrekking tot stand kan komen. Strikte toepassing van de verwijzingsregel van artikel 10:97 BW komt er in dat geval op neer dat de afstammingsrelatie niet in overeenstemming kan worden gebracht met de biologische werkelijkheid. Een dergelijke gevolgtrekking moet, naar het oordeel van de rechtbank, in het voorliggende geval in strijd worden geacht met artikel 8 EVRM. Voor zover het Nepalese recht wel de mogelijkheid tot vaststelling van het vaderschap van de man biedt, neemt de rechtbank in aanmerking dat uit voornoemd rapport blijkt dat er sprake zal zijn van een langslepende procedure terwijl verzoekster (en betrokkenen) al ruim twee jaar bezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van het Nepalese recht dan ook onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde, zodat toepassing ervan op grond van artikel 10:6 BW achterwege hoort te blijven. Gezien het vorenstaande en gelet op de betrokkenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer en het feit dat de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man niet op een andere wijze kan (althans lijkt te kunnen) worden vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht. Gerechtelijke vaststelling vaderschap Op grond van artikel 1:207, eerste lid, BW kan – voor zover hier van belang – het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van: de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; het kind. De rechtbank stelt voorop dat verzoekster niet kan worden ontvangen in haar verzoek aangezien de termijn voor het indienen van onderhavig verzoek voor haar is verstreken. De bijzonder curator heeft een zelfstandig verzoek tot gere