Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2017:15903
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/521372 / HA ZA 16-1262 Vonnis van 6 december 2017 in de zaak van [A] , praktijk houdende te [plaats] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. A.I. Keur te Amsterdam, tegen de naamloze vennootschap ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V. , statutair gevestigd te Zeist, kantoorhoudende te Leiden, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. G.A. van den Berg te Leiden. Partijen zullen hierna ‘ [A] ’ en ‘Achmea’ genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 1 november 2016, met producties; de incidentele conclusie tevens conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie van 21 december 2016, met producties; het tussenvonnis van 1 maart 2017 waarin een comparitie van partijen is gelast; de ambtshalve beschikking van 25 april 2017 waarin een datum voor de comparitie van partijen is bepaald; de akte overlegging productie ten behoeve van comparitie van Achmea, met productie 11; de antwoordakte in incident tevens antwoord in reconventie van 15 augustus 2017; de brief van Achmea inzake het ingestelde beroep tegen de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg van 16 augustus 2017; het proces-verbaal van comparitie van partijen van 29 augustus 2017. 1.2. Het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 29 augustus 2017 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud daarvan te reageren, voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. 1.3. Bij brieven van 19 september 2017 en 20 september 2017 hebben [A] respectievelijk Achmea van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De rechtbank zal geen acht slaan op de reacties van partijen voor zover deze aanvullingen en verduidelijkingen van tijdens de zitting ingenomen standpunten inhouden. Voor het overige wordt dit vonnis gewezen met inachtneming van de feitelijke correcties. 1.4. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [A] is tandarts en exploiteert samen met andere tandartsen een tandzorgpraktijk in [plaats] . [A] levert in die hoedanigheid mondzorg aan verzekerden van onder meer Achmea en Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Zilveren Kruis). De door hem geleverde prestaties declareert hij rechtstreeks aan Achmea en Zilveren Kruis. Er is geen sprake van een zorg- of betaalovereenkomst. 2.2. Bij brief van 17 juli 2014 heeft Achmea Divisie Zorg & Gezondheid (hierna: de Divisie), onder meer het volgende geschreven aan [X] , t.a.v. [A] : “In de Zorgverzekeringswet is vastgelegd dat wij als zorgverzekeraar de verplichting hebben om materiële controle toe te passen op de door ons uitbetaalde zorgkosten. Hierbij gaan wij na of de in rekening gebrachte prestatie is geleverd (feitelijke levering) en of die geleverde prestatie het meest aangewezen was gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (terechte levering). Materiële controle heeft als doel om de zorg voor onze verzekerden betaalbaar te houden en de kwaliteit van de zorg voor onze verzekerden te waarborgen. U bent geselecteerd voor materiële controle In juni 2014 hebben wij het declaratiegedrag van alle bij Achmea declarerende tandartsen vergeleken in een benchmark. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze benchmark hebben wij uw praktijk geselecteerd voor deze materiële controle. Uw declaratiegedrag wijkt op een aantal verrichtingen namelijk sterk af ten opzichte van andere tandartsen met een vergelijkbare patiëntenpopulatie. Informatieboekje met uitkomsten Informatie over onze werkwijze en de uitkomsten van deze specifieke materiële controle treft u aan in het bijgeleverde informatieboekje. Voor informatie over het algemene materiële controleproces verwijzen we u naar het algemeen controleplan materiële controle 2014. Reikwijdte van de controle De controle is integraal uitgevoerd voor de merken Zilveren Kruis Achmea, Inter Daarnaast heeft Achmea erop gewezen dat de eerste analyse geen definitieve conclusies inhoudt, dat de doelmatigheid van geleverde prestaties niet slechts op basis van statistiek kan worden vastgesteld en dat juist daarom zijn toelichting nodig is, die hij kon geven door de vragenlijst af te ronden. Ten aanzien van de door [A] gegeven verklaringen met betrekking tot het afwijkende aantal foto’s heeft Achmea het volgende opemerkt: “In de benchmark bent u vergeleken met praktijken die ook de beschikking hebben over OPG apparatuur. Uw verweer is deels casuistisch (collegae in de buurt die heel weinig foto’s maken) en derhalve niet steekhoudend. (…)” 2.7. In zijn reactie van 13 oktober 2014 heeft [A] geschreven dat zijn brief van 11 september 2014 een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) inhield, waarop Achmea uiterlijk 9 oktober 2014 had moeten reageren. De brief houdt voorts het volgende in: “Ter herinnering Voor uw gemak heb ik de vragen die u op basis van art. 3 Wet Openbaarheid bestuur dient te beantwoorden nog even voor u op een rijtje gezet: Gaarne ontvangen wij de statistische materialen & methoden van uw onderzoek. Heeft u rekening gehouden met onze praktijksamenstelling en onze praktijkuitrusting en/of omschrijving daarvan? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet en waarom denkt u dat dit niet van invloed is op de rest van de statistische bewerking? Maakt een klein verschil dan wel fout in de omschrijving en in welke groep de praktijk vervolgens ingedeeld is niet bijzonder veel uit voor de verdere berekeningen en stratificering? Zo ja, hoe denkt u deze verschillen/fouten te corrigeren? Zo nee, waarom niet? Kan een initiële kleine fout van uw kant grote consequenties hebben op uw verdere onderzoek en geheel andere, irreële constateringen opleveren? Zo nee, waarom niet? Wij verzoeken u dan ook om ons exact te omschrijven hoe u onze praktijk heeft gedefinieerd en Met welke (vergelijkbare) soort praktijken u ons heeft ingedeeld? Is bijvoorbeeld gecorrigeerd voor het aantal tandartsen, het aantal preventieve medewerkers en mondhygiënisten? Is er bijvoorbeeld gecorrigeerd voor solisten ten opzichte van groepspraktijken zoals die van ons? Zo ja, hoe heeft u dit gedaan? Zo nee, waarom niet? Wilt u inzicht verschaffen in al uw methodieken en assumpties? Hoe omschrijft u de sociaal-economische status van onze patiënten? Wat u verwacht dat er gemiddeld bij een dergelijke groep gedeclareerd wordt (M01, M03, V30, V35, X10, X21) ? In de benchmark houdt u praktijken met relatief weinig kinderen over (die immers ook hun kinderen naar JTZ verwijzen), terwijl u de jeugdtandzorginstellingen weggefilterd heeft. Hoe corrigeert u voor deze bias? Bent u van plan voor deze bias te corrigeren? Zo ja, hoe verhouden de resultaten zich nu? Zo nee, waarom niet? Hoe bepaalt u de kwaliteit van de benchmark? Kunt u die überhaupt wel bepalen wat de kwaliteit van de benchmark is omdat u een kwantitatieve methode lijkt toe te passen i.p.v. een kwalitatieve, die verwacht mag worden als u conclusies wenst te trekken omtrent de kwaliteit van de door ons geleverde zorg? Hoeveel tandartsen in de benchmark volgen nascholing? Hoe vaak doen zij dit? Stelt u declaratiegemiddelden gelijk aan kwaliteit? Hoe doet u dit dan en heeft u nog een gouden standaard gebruikt of is de benchmark uw gouden standaard? Werken de tandartsen in de benchmark volgens protocollen voor preventie (gebitsreiniging en instructie), sealants en de röntgendiagnostiek? Zo ja, zijn dit dezelfde protocollen die wij ook gebruiken of wijken ze significant af? Zo niet, dan bent u in feite het verschil tussen wel en niet protocolair werken aan het meten in declaraties met het verschil dat niet uw benchmark de gouden standaard is maar wij; u zult dan moeten constateren dat uw benchmark tekort schiet en onderpresteert ten opzichte van de gouden standaard. Kan het juist zijn dat uw benchmark ondermaats presenteert? Waarom zou dit niet evengoed van toepassing zijn op uw onderzoek? Voorts Vanwege uw verwarrende en onvolledige antwoord stel ik u op basis van de WOB de volgende aanvullende vragen (dit is dus los van de vorige vragen die nog onbeantwoord zijn gebleven): • Is er sprake van een aparte benchmark om de gedeclareerde OPT opnamen te vergelijken? Dit lijkt u immers te suggereren in uw brief van afgelopen vrijdag! Zo ja: • Hoe is deze benchmark tot stand gekomen? • Welke statistische materialen en methoden heeft u hiervoor gebruikt? • Welke filters en andere bewerkingen heeft u hierop uitgevoerd? Hoe verhoud dit zich tot de homogene groepen? • Waarom is hier geen melding van gemaakt in de eerste informatie? • Hoe zijn de data voor de jeugdtandzorg instellingen die u er opzettelijk uit heeft gefilterd? Hoe variëren deze ten opzichte van de benchmark? • Wie is uw verantwoordelijk statisticus? Zo niet? • Hoe heeft u in dezelfde benchmark onderscheid gemaakt tussen tandartsen met en zonder OPT apparatuur? Hoe corrigeert u voor de tandartsen zonder OPT apparatuur? • Hoe zijn de data voor de jeugdtandzorg instellingen die u er opzettelijk uit heeft gefilterd? Hoe verhouden deze zich tot de benchmark? • Wie is uw verantwoordelijk statisticus? Tevens: • Wat zijn de statistische materialen en methoden van het onderzoek op de röntgenfoto’s? • Wat is uw beleid in het algemeen tegen tandartsen die in de basisverzekering structureel te weinig foto’s (X10 en X21) maken ten opzichte van de professionele standaard? • Wat is uw beleid in het algemeen ten opzichte van door u gecontracteerde tandartsen die in de basisverzekering te weinig foto’s (X21 en X10) maken ten opzichte van de professionele standaard? • Bent u überhaupt bekend met de professionele standaard op het gebied van radiologie? Hoe komt dit naar voren / hoe houdt u hier rekening mee in uw statistiek? • Hoeveel afwijking is er tussen de benchmark en wat je zou kunnen verwachten ten opzichte van de professionele standaard? • Zijn bovengenoemde categorieën tandartsen vertegenwoordigd in de benchmark? Zo ja, in welke getalen, zo nee, hoe kunt u dit stellen? • Heeft Achmea ooit op enige wijze actie ondernomen tegen een tandarts (wel of niet gecontracteerd) die structureel te weinig foto’s (X10 en X21) maakte bij uw jeugdige verzekerden (basisverzekerden) tot 18 jaar? • Indien u geen beleid voert in dit opzicht/ of anderzijds nooit optreed, hoe heeft u voor deze overduidelijke bias in uw statistiek zorg gedragen om deze te corrigeren? • Heeft u gecorrigeerd voor het feit dat tandartsen zonder OPT na een onsuccesvolle poging foto’s (bitewings / solos) te maken zich er maar bij neer moeten zetten, terwijl tandartsen met OPT de mogelijkheid hebben via deze weg mtgenologische informatie te verzamelen? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet? • Tenslotte ontvang ik graag alle bijbehorende brondocumenten en instructies van de Nederlandse Zorg Autoriteit betreffende de uitvoering van de formele/ materiële controle. 2.9. Bij brief van 22 oktober 2014 heeft Achmea geschreven dat zorgverzekeraars geen bestuursorganen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn, op grond waarvan het beroep op de WOB reeds niet op gaat. Hoewel volgens Achmea de vragen van [A] voldoende zijn beantwoord, is hij uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek hierover, tijdens welk gesprek hij tevens in de gelegenheid zou worden gesteld de vragen van Achmea alsnog te beantwoorden. 2.10. Bij brief van 23 oktober 2014 heeft [A] voorgesteld dat Achmea eerst de vragen beantwoordt, om daarna een bespreking te beleggen. In de periode daarna hebben partijen veelvuldig gecorrespondeerd. [A] heeft Achmea nog voorzien van de protocollen uit zijn praktijk. Voor het overige is hij bij zijn standpunt gebleven dat Achmea gehouden is hem eerst nader te informeren over de toegepaste methodiek (statistiek, toegepaste filters, materialen en methodes) voordat hij zijn medewerking hoeft te verlenen. 2.11. Het onderzoek dat betrekking had op preventieve voorlichting/instructie en gebitsreinigingen is afgero Voor zover Achmea betoogt dat [A] slechts de rechtspersoon mocht dagvaarden bij wie hij de door hem aan jeugdigen geleverde mondzorg declareert, en niet de partij die de materiële controle uitvoert, volgt de rechtbank haar daarin niet. Bovendien bevat de brief van 17 juli 2014 niet de namen van de rechtspersonen aan wie [A] declareert. In de brief staat immers slechts voor welke merken de materiële controle wordt uitgevoerd, niet voor welke rechtspersonen. 4.4. Niet valt in te zien waarom [A] niet de partij zou mogen dagvaarden die de materiële controle uitvoert voor de rechtspersonen die de genoemde merken voeren. Dat is de Divisie, die echter evenmin een rechtspersoon is. De enige rechtspersoon die in deze brief wordt genoemd is Achmea Zorgverzekeringen N.V., onderaan het briefpapier dat de Divisie gebruikt. Nu de Divisie het briefpapier van Achmea Zorgverzekeringen N.V. gebruikt, mocht [A] er vanuit gaan dat de Divisie deel uitmaakte van Achmea Zorgverzekeringen N.V., op grond waarvan zij deze vennootschap mocht dagvaarden. 4.5. Dat de naam Achmea Divisie Zorg & Gezondheid op enig moment is gewijzigd in Zilveren Kruis leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier immers om een merknaam. Bovendien blijft ook Zilveren Kruis briefpapier hanteren met daarop de naam “Achmea Zorgverzekeringen N.V.”. [A] mocht op grond van het voorgaande erop vertrouwen dat (de Divisie binnen) Achmea Zorgverzekeringen N.V. de materiële controle uitvoerde voor Zilveren Kruis c.s. De door Achmea gecreëerde verwarring komt voor haar rekening. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op niet-ontvankelijkheid. 4.6. De rechtbank verwerpt voorts de stelling van Achmea dat [A] geen belang heeft bij de onderhavige procedure omdat geen sprake is van een normschending aan de zijde van Achmea. Ter zitting heeft Achmea bevestigd dat zij voornemens is de materiële controle bij de praktijk van [A] voort te zetten. Daarmee is het belang van [A] om te weten of hij daaraan zonder meer dient mee te werken, of dat hij zijn medewerking mag opschorten totdat Achmea zijn vragen heeft beantwoord, gegeven. 4.7. Kern van deze zaak is of [A] zonder meer verplicht is zijn medewerking te verlenen aan de zogenoemde materiële controle. Voordat de rechtbank hierop ingaat zal zij een overzicht van de relevante regelgeving ter zake van de materiële controle geven. Gelet op de samenhang tussen het geding in conventie en reconventie zullen de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk worden behandeld. regelgeving 4.8. In het kader van de uitvoering van de Zvw zijn zorgverzekeraars bevoegd en verplicht om in overeenstemming met de bepalingen van de Zvw, het Besluit Zorgverzekering (hierna: Bzv), de Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv) en de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg) formele en materiële controles uit te voeren. Die controles dienen ertoe de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door zorgverleners in rekening gebrachte prestaties te controleren. De bepalingen uit de Rzv (zie in het bijzonder artikel 7.5 tot en met 7.8) in combinatie met artikel 87 Zvw geven zorgverzekeraars de volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) noodzakelijke juridische grondslag om formele en materiële controles uit te voeren ten behoeve van de in de Rzv opgenomen doelen. Daarnaast biedt dit het noodzakelijke en wettelijke voorschrift voor de zorgverlener om het medische beroepsgeheim te doorbreken. 4.9. In het Protocol Materiële Controle van Zorgverzekeraars Nederland, behorend bij de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars (Staatscourant nr. 401, 10 januari 2012) onder 3.5 worden de te nemen stappen bij de materiële controle op hoofdlijnen toegelicht. De inhoud van deze tekst luidt, voor zover hier van belang: “(…). De specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontroles worden gedocumenteerd op een achteraf toetsbare wijze. (…) a. Formuleer een controledoel. Door het controledoel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wordt een b (…) Wat betreft de inzet van detailcontrole zijn een aantal instrumenten te onderscheiden, waarbij sprake is van minder - wat de persoonlijke levenssfeer betreft - ingrijpende instrumenten tot een instrument dat als ingrijpender wordt ervaren door de zorgaanbieder. (…) De zorgverlener dient ook in het kader van de detailcontrole aan te vangen met de minst ingrijpende instrumenten, te weten: 1) gelegenheid geven aan zorgaanbieder ontbrekende informatie aan te leveren; 2) detailcontrole zonder inzage in medisch dossier bij zorgaanbieder; 3) detailcontrole met inzage in medisch dossier bij zorgaanbieder; 4) informeren zorgaanbieder over uitkomst detailcontrole; 5) bepalen gevolgen van controle-uitkomsten en; 6) einde controle.” de verdere beoordeling 4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] verplicht is op verzoek van de zorgverzekeraar mee te werken aan een materiële controle. Het standpunt van [A] houdt – kort gezegd – in dat hij pas volledige medewerking hoeft te verlenen als Achmea haar stelling dat sprake is van afwijkend declaratiegedrag nader onderbouwt, en [A] inzicht heeft verschaft in haar methodieken (statistiek, toegepaste filters, materialen en methodes). Achmea dient daartoe (in ieder geval) de door [A] in 3.1 weergegeven vragen te beantwoorden, aldus [A] . Dit standpunt gaat niet op. Daartoe is het volgende redengevend. 4.12. In het Algemeen Controleplan Materiële Controle 2014 (productie 4 bij conclusie van antwoord) heeft Achmea een controledoel opgenomen (te weten controle of de levering van de gedeclareerde zorg daadwerkelijk en terecht heeft plaatsgevonden), evenals een algemene risicoanalyse. Volgens de algemene risicoanalyse is één van de controle onderwerpen met betrekking tot mondzorg het risico op veel en/of dure röntgenfoto’s. Eén van de instrumenten die Achmea bij de materiële controle ter beschikking staan is: “statistische analyse/spiegelinformatie (onderzoek naar opvallend declaratiegedrag). Bij deze analyse legt Achmea dZ&G bijvoorbeeld relaties in de tijd in gedeclareerde zorg, dan wel worden gegevens over gedeclareerde zorg tussen (vergelijkbare) zorgaanbieders opgesteld. Deze informatie wordt vervolgens gebruikt om individuele zorgaanbieders te spiegelen en eventueel significante afwijkingen ten opzichte van de norm daarop door de zorgaanbieder te laten verklaren(…)” 4.13. De rechtbank is van oordeel dat Achmea met het voorgaande heeft voldaan aan de wet- en regelgeving zoals hiervoor weergegeven. 4.14. Achmea heeft vervolgens een statistische analyse uitgevoerd. Daarbij is Achmea als volgt te werk gegaan: zij is uitgegaan van alle bij Achmea declarerende tandartsen. Daarop zijn een aantal filters toegepast: alleen de praktijken met minimaal 100 patiënten zijn geselecteerd waarvoor periodiek consult is gedeclareerd. Daarnaast is alleen gekeken naar vergoede zorg voor jongeren tot 18 jaar en zijn bijzondere praktijken zoals jeugdtandartsen uitgesloten. Vervolgens zijn homogene groepen van tandartsen gecreëerd waarbij rekening is gehouden met de sociaal economische status en herkomst van de patiënten. Bepalend daarbij was het postcodegebied waarin een patiënt woonachtig is. Achmea heeft het totaalbedrag van hetgeen door deze tandartsen is gedeclareerd gedeeld door het aantal bij deze tandartsen verzekerden, en is zo op een gemiddelde uitgekomen. Ter comparitie heeft Achmea toegelicht dat het niet mogelijk is alle door [A] genoemde elementen – bijvoorbeeld of een praktijk veel nieuwe patiënten heeft – vooraf eruit te filteren. Zij hanteert dan ook bewust weinig filters, en beschouwt de uitkomsten van de statistische analyse als een indicatie dat er mogelijk iets aan de hand is. Naar aanleiding daarvan worden vragen aan de zorgverlener gesteld. De zorgverlener kan vervolgens inzicht geven in de redenen waarom zijn praktijk van het gemiddelde afwijkende aantallen kent, aldus Achmea. 4.15. Tussen partijen is niet in geschil dat statistische analyse is toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat Achmea heeft bij brief van 2 december 2014 geschreven tot detailcontrole te zullen overgaan, waarop [A] bij brief van 15 december 2014 heeft gevraagd waarom lichtere vormen van detailcontrole (dan dossiercontrole) onvoldoende zekerheid zouden bieden. Achmea heeft bij brief van 8 januari 2015 [A] geschreven een andere, minder ingrijpende vorm van detailcontrole te zien, te weten het verstrekken van de individuele indicatiestellingen per verzekerde waarvoor een OPG is gedeclareerd. In reactie daarop heeft [A] Achmea uitgenodigd tot het doen van dossieronderzoek. [A] eiste echter dat Achmea een door hem opgestelde verklaring zou ondertekenen, die – kort gezegd – inhield dat Achmea aan de geldende wet- en regelgeving zou voldoen. Achmea heeft dit geweigerd en bij brief van 14 april 2015 geschreven tot dossiercontrole op locatie over te zullen gaan. 4.20. Uit het voorgaande blijkt dat Achmea gedurende geruime tijd verschillende pogingen heeft gedaan om inlichtingen van [A] te verkrijgen en met hem in gesprek te komen, voordat de detailcontrole op zijn praktijk werd voorgesteld. In de gegeven omstandigheden kon niet van Achmea worden gevergd dat zij zich bij de situatie zou neerleggen. Achmea heeft een wettelijke plicht ervoor te zorgen dat zij niet meer kosten vergoedt dan rechtmatig en doelmatig zijn gemaakt. Het is tevens een algemeen belang te voorkomen dat zorgkosten te hoog oplopen. Bovendien moet Achmea het belang van haar verzekerden behartigen; zowel hun financiële belangen als hun belang niet te worden blootgesteld aan onnodige gezondheidsrisico’s. Daar komt bij dat zij geen middelen had om eventuele toekomstige onrechtmatigheden of ondoelmatigheden tegen te gaan. Achmea heeft geen contract met [A] , zodat zij geen mogelijkheid heeft een rechtsverhouding met hem te beëindigen of niet opnieuw aan te gaan en evenmin een contractuele mogelijkheid heeft tot opschorting van betalingen aan [A] . 4.21. Het voorgaande leidt ertoe dat [A] zijn medewerking dient te verlenen aan de materiële controle. De rechtbank zal hem dan ook gebieden zijn medewerking te verlenen aan de materiële controle van Achmea. Bij deze stand van zaken heeft Achmea geen belang bij haar vordering tot het verklaren voor recht dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de rechtbank die zal afwijzen. De rechtbank ziet voorts aanleiding de gevorderde dwangsom op een lager bedrag vast te stellen en te maximeren. 4.22. De rechtbank zal [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Achmea veroordelen. De kosten aan de zijde van Achmea in de procedure in conventie worden tot op heden begroot op een bedrag van € 619,00 voor griffierecht en € 904,00 voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 452), dat is in totaal € 1.523,00. De kosten aan de zijde van Achmea in de procedure in reconventie worden tot op heden begroot op een bedrag van € 226,00 voor salaris advocaat (0,5 punt x tarief € 452). 4.23. De door Achmea gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en reconventie zal worden toegewezen met inachtneming van de in het dictum bepaalde termijn. 4.24. Voor veroordeling van [A] in de nakosten bestaat geen grond, nu een kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL1116, NJ 2011/237). 5 De beslissing De rechtbank: in conventie 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [A] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.523,00, door [A] te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling; in reconventie 5.3. gebiedt [A] zijn medewerking te verlenen aan de materiële controle van Achmea en draagt hem op alle informatie te verstrekken die Achmea nodig heeft om de materiële controle conform wet- en regelgeving uit te v