Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-22
ECLI:NL:RBDHA:2017:14848
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/7259 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M. Post). Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 16 september 2015. Tevens heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Eiser heeft tegen dit besluit op 3 april 2017 beroep ingesteld. Op 2 juni 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarop heeft eiser op 22 juni 2017 een reactie ingediend. Het beroep is ter zitting behandeld op 4 juli 2017. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Procesbelang Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2692) volgt dat een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen rechtmatig verblijf heeft en dus geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Tevens volgt uit deze jurisprudentie dat hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van het beroep tegen het inreisverbod. Daarom zal de rechtbank in het navolgende eerst beoordelen of terecht een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd en met inachtneming van dat oordeel vervolgens of eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en zo ja, of dat beroep gegrond is. 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft zowel aan de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als het uitvaardigen van een zwaar inreisverbod hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd en dezelfde toetsingsmaatstaf gehanteerd, namelijk de in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) neergelegde glijdende schaal. 3.1 Eiser heeft op 11 oktober 1993 aanvragen ingediend tot toelating als vluchteling en tot het verlenen van een vergunning tot verblijf. Met ingang van 11 oktober 1993 is aan eiser verblijf verleend op grond van de Tijdelijke Regeling Opvang Ontheemden, later is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingschap (een vergunning tot verblijf zonder beperkingen) en daarna – van rechtswege - van de ingetrokken verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 1 maart 2016 heeft verweerder aan eiser een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kenbaar gemaakt, alsook het voornemen tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van vijf jaar. Hierop heeft eiser op 11 april 2016 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Verder is hij op 17 mei 2016 door verweerder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze toe te lichten tijdens een gehoor. 3.2 Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 24 februari 2017 blijkt dat eiser voor diverse misdrijven strafrechtelijk is veroordeeld. Zo is gebleken dat eiser: Bij onherroepelijke vonnis van de politierechter te Maastricht van 15 mei 1996 is veroordeeld tot een geldboete wegens het beschadigen van auto's; Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Maastricht van 14 oktober 1998 is veroordeeld tot een geldboete vanwege het beschadigen van goede Nu, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550), sprake moet zijn van een werkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, wordt daarom door verweerder een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit de in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden omdat eiser herhaaldelijk is veroordeeld wegens misdrijven die met meer dan drie jaar gevangenisstraf worden bedreigd, zoals ontucht met een wilsonbekwame, poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en diefstal onder strafverzwarende omstandigheden, zodat sprake is van een zwaar inreisverbod. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, Vw 2000 die ertoe leiden af te zien van het opleggen van een inreisverbod of de duur daarvan te verkorten. 6. De rechtbank gaat in het navolgende, voor zover relevant, in op hetgeen eiser heeft aangevoerd. Het inreisverbod 7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd omdat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt. In plaats van een crimineel is eiser vooral te beschouwen als een psychiatrisch patiënt. 7.1 In rechtsoverweging 50 van het arrest Z.Zh en I.O. is uitleg gegeven van het voor terugkeerbesluiten geldende begrip 'gevaar voor de openbare orde', bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Terugkeerrichtlijn). De Afdeling heeft uit het arrest Z.Zh. en I.O. in de uitspraak van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3479) afgeleid dat verweerder bij het onderzoek naar de vraag of wegens het bestaan van een gevaar voor de openbare orde een vertrektermijn wordt onthouden of de duur ervan wordt verkort alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die gaan over de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals de aard en ernst van dit strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Bij de beoordeling moet verweerder in acht nemen dat de bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Voorts moet verweerder het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering. Indien een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet verweerder aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden. In de daaropvolgende vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) en van 8 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3012) heeft de Afdeling deze onderzoeks- en motiveringsplicht voor verweerder ook van toepassing geacht op de uitvaardiging van een inreisverbod voor meer dan vijf jaren wegens het bestaan van een ernstige bedreiging voor de openbare orde, bedoeld in artikel 11, tweede lid, tweede volzin, Terugkeerrichtlijn. 7.2 De rechtbank ziet, onder verwijzing naar de genoemde uitspraken van de Afdeling, geen grond voor het oordeel dat de hiervoor omschreven onderzoeks- en motiveringsplicht in voorliggende zaak niet zou gelden. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat, wanneer verweerder een inreisverbod oplegt en daaraan de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 opgenomen rechtsgevolgen verbindt, het Unierechtelijk openbare ordebegrip wordt toegepast. 7.3 De rechtbank is van oordeel dat de toetsing aan artikel 3.86 van het Vb 2000 in het bestreden besluit niet voldoende blijk geeft van een onderzoek naar alle feitelijke en juridische gegevens die gaan over de situatie van eiser in relati 8.5 Artikel 11, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, voor zover hier van belang, bepaalt dat een onderdaan van een derde land of staatloze ophoudt vluchteling te zijn als de omstandigheden in verband waarmee hij als vluchteling is erkend hebben opgehouden te bestaan en hij niet langer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land van zijn nationaliteit. Artikel 14, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, dat de vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land wordt beëindigd of niet wordt verlengd indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.Artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, voor zover hier van belang, bepaalt dat de lidstaten de aan een vluchteling verleende status kunnen intrekken wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf. 8.6 De intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is in het Nederlands recht geregeld in artikel 35 van de Vw 2000. In dit geval is van belang de grond voor intrekking in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, namelijk veroordeling bij onherroepelijk geworden vonnis wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Volgens verweerders beleid, paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt bij de toepassing van deze bepaling mede betrokken de vraag of de vreemdeling als gevaar voor de openbare orde wordt beschouwd. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van de glijdende schaal in artikel 3.86 van het Vb 2000. Daarnaast verklaart paragraaf C5/4 van de Vc 2000 de paragraaf C2/10 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf C2/10, voor zover van belang, verwijst naar paragraaf C2/7.10.1 waarin verweerder beleid heeft neergelegd onder welke omstandigheden de openbare orde zich verzet tegen vergunningverlening. Ingevolge laatstgenoemd beleid worden, samengevat, de onder rechtsoverweging 7 genoemde aspecten bij de besluitvorming betrokken. 8.7 Anders dan verweerder is de rechtbank niet van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning een aangelegenheid van louter nationaal recht is geworden omdat eiser naar de maatstaf van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn niet langer als vluchteling zou worden beschouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn de voorwaarden omschrijft waaronder een vluchteling ophoudt vluchteling te zijn. Artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn geeft aan in welke gevallen door de lidstaten een verleende vluchtelingenstatus kan worden of wordt ingetrokken; het niet langer vluchteling zijn is er daar één van. De rechtbank stelt evenwel vast dat het niet langer zijn van vluchteling in het Nederlands recht niet is omgezet als grondslag voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die, zoals hiervoor overwogen, ook het beëindigen van de vluchtelingenstatus omvat. De in 1993 aan eiser verleende vluchtelingenstatus is niet ingetrokken voordat het bestreden besluit werd genomen. Bij het nemen van het bestreden besluit was eiser dus in het bezit van de vluchtelingenstatus en het niet langer zijn van vluchteling kan geen grond vormen om hem deze status te ontnemen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2015, H.T. tegen Land Baden-Württemberg (ECLI:EU:C:2015:413, punt 95). Overigens heeft eiser terecht aangevoerd dat verweerder, voor zover het bestreden besluit ziet op intrekking van de vluchtelingenstatus, ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of eiser individuele asielmotieven heeft. Hierop stuit ook verweerders beroep op het artikel 1(C) onder 5 van het Vlv af. Kortom, de Kwalificatierichtlijn was bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van eiser wel degelijk