Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-23
ECLI:NL:RBDHA:2017:13648
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/3741 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), te Den Haag, eiseres (gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten), en de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: B.J. van Hell en M. Hasanian). Procesverloop Bij besluit van 2 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een subsidie van € 455.000,- voor het jaar 2017 toegekend. Bij besluit van 18 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is namens eiseres verschenen [persoon A] ([functie 1]) en [persoon B] ([functie 2]). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Verweerder verleent eiseres subsidie voor de uitvoering van haar jaarplan als beroepsvereniging voor rechterlijke ambtenaren. De subsidie vloeit concreet voort uit de tussen verweerder en eiseres gemaakte afspraken, zoals eerder neergelegd in verweerders kaderbrief van 13 november 2008 en geactualiseerd bij het besluit subsidierelatie van 2 februari 2015. Ingevolge dit besluit is sprake van een subsidierelatie voor onbepaalde tijd en een meerjarenraming onder het voorbehoud van goedkeuring van (het betreffende deel van) de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ). De subsidie wordt per boekjaar verstrekt en afbouw of beëindiging is mogelijk in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 24 februari 2015, waarin de subsidie voor 2015 is verleend, heeft verweerder een meerjarenraming opgenomen voor de periode 2016-2018. 2. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een subsidie van € 455.000,- voor het jaar 2017 toegekend. Dit houdt een vermindering van € 277.000,- (38%) in ten opzichte van het bedrag van € 732.000,- zoals voor 2017 was beraamd. Verweerder heeft deze korting toegepast na financiële herprioritering vanwege de noodzaak om te bezuinigen.Verweerder stelt daarbij rekening te hebben gehouden met een aantal activiteiten waarvan de koppeling met de rol van de NVvR als beroepsvereniging evident is en waaraan hij belang hecht dat de NVvR deze activiteiten zal blijven verrichten. Verweerder doelt op de adviestaken van de NVvR, in het bijzonder bij algemene wetgeving die betrekking heeft op de inrichting van de rechtspraak, die het inhoudelijk werk van de rechter en officier van justitie op belangrijke aspecten kan raken, of die verband kan houden met de beroepsbeoefening in meer ruimere zin. 3. Eiseres acht de subsidievermindering onrechtmatig. Op grond van de bestaande subsidierelatie met het ministerie stelt eiseres aanspraak te kunnen maken op de volgens de meerjarenraming beschikbaar te stellen bedragen tot en met 2019. Van de voorwaarden op grond waarvan verweerder de subsidie kan verminderen is volgens eiseres geen sprake. Zo is goedkeuring niet uitgebleven van de begroting voor verweerders ministerie waarin de geraamde bedragen zijn opgenomen. Ook zijn geen rijksbrede of ministerie brede kortingen van toepassing. Eiseres voert verder aan dat verweerder door deze handelswijze eveneens in strijd handelt met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat de korting gelet op het voorgaande niet voorzienbaar was. Ook levert de toepaste korting volgens eiseres een schending op van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op de gevolgen voor eiseres. Verzuimd is in kaart te brengen in hoeverre de uitvoering van wettelijke taken en de taken die zij heeft op grond van de subsidierelatie haalbaar blijft. Het is onjuist dat na de korting nog voldoende ruimte overblijft voor wetgevingsadvisering. Het functioneren Anders dan eiseres aanvoert is hiervoor niet vereist dat sprake is van een bezuiniging waarbij op alle uitgaven een relatief even grote vermindering wordt toegepast (de kaasschaafmethode). Het in het besluit opgenomen financiële kader staat niet in de weg aan het willen realiseren van bezuinigingen aan de hand van een nadere prioritering van uitgaven op grond van politieke overwegingen. Verweerder heeft betoogd dat ervoor is gekozen om fors te investeren in de Nationale politie, het Nederlands Forensisch Instituut, het OM en de Rechtspraak, maar die keuze ertoe heeft geleid dat onder andere een aantal subsidierelaties aan herziening moest worden onderworpen teneinde binnen het totaal beschikbare budget te blijven. Dat heeft er toe geleid dat verweerder er voor heeft gekozen met name nog de activiteiten zoals onder 2 genoemd te ondersteunen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het, door bovenvermelde bepalingen uit de Awb en de voorbehouden in het besluit waarin de subsidierelatie tussen verweerder en eiseres is vastgelegd, voor eiseres voorzienbaar was dat er aanpassingen in de hoogte van de subsidie mogelijk zijn. Van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake. 6.2 Evenmin volgt de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Tijdens de bestuurlijke overleggen tussen verweerder en eiseres is regelmatig gesproken over de gevolgen van subsidievermindering. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft vermeld, vormt wetgevingsadvisering voor verweerder een wezenlijke grondslag van de subsidie. Anders dan eiseres betoogt blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder geen rekenschap heeft gegeven van de overige taken die eiseres uitoefent. Verweerder laat echter, omdat het om een lumpsum bekostiging gaat, aan eiseres over welke prioritering zij geeft aan haar verschillende taken. Verweerder heeft in redelijkheid geoordeeld dat de gevolgen voor eiseres niet opwegen tegen verweerders belang bij financiële herprioritering. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de gevolgen voor eiseres ernstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter niet voldoende onderbouwd dat zij door de subsidievermindering geen middelen meer heeft haar belangrijkste taken te blijven uitvoeren. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift, heeft eiseres slechts in het algemeen gesteld dat het bestreden besluit negatieve gevolgen heeft voor vrijwel alle activiteiten. Ter zitting is namens eiseres geconcretiseerd wat de gevolgen van het bestreden besluit zijn. Uiteengezet is op welke posten in totaal ongeveer € 290.000,00 is bezuinigd en wat de inhoudelijke consequenties hiervan zijn. Hiermee heeft eiseres echter nog steeds niet inzichtelijk gemaakt hoeveel geld zij door het bestreden besluit tekort komt om haar belangrijkste taken te kunnen voortzetten. Eiseres heeft bij voorbeeld niet inzichtelijk gemaakt welke kosten zij moet maken voor de totstandkoming van door verweerder gevraagde adviezen over wetgevingsvoorstellen. 6.3 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer voormelde uitspraak) dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de gehele of gedeeltelijke beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. De termijn dient er niet toe om te garanderen dat de subsidieontvanger zijn activiteiten onverkort zal kunnen voortzetten. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9478) blijkt dat de redelijke termijn van artikel 4:51 van de Awb aanvangt op het moment dat duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangekondigd dat de subsidie wordt verminderd. De rechtbank overweegt dat verweerder zijn voornemen om de subsidie voor 2017 te korten niet – voor zover eiseres dit betoogt – pas met de brief van 12 oktober 2016 aan eiseres kenbaar heeft gemaakt, maar dat de korting bij he