Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2017-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2017:13101
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/1436 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder (gemachtigde: M.A.H. de Pagter). Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2016, verzonden op 27 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoeding van de toevoeging met kenmerk [kenmerk 1] ingetrokken. Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder aanvulling van de gronden. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het juridisch kader is als bijlage 1 aan deze uitspraak gehecht. 2. Eiseres is rechtsbijstandverlener en werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van verweerder. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. 3. Eiseres heeft op 9 september 2015 een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van bezwaar tegen een herzieningsbeslissing over kinderopvangtoeslag 2010 en 2011 van de Belastingdienst. Op 22 oktober 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder verstrekte toevoeging met kenmerk [kenmerk 2]. Dezelfde dag heeft eiseres middels een aanvraag om mutatie verweerder verzocht het eerdere besluit te herzien en de toevoeging te verlenen. In het kader van eiseres haar deelname aan het High Trust-programma heeft verweerder de toevoeging met kenmerk [kenmerk 1] verleend en een vergoeding vastgesteld. Op 7 juni 2016 heeft verweerder op het kantoor van eiseres een steekproef uitgevoerd. Het foutpercentage van deze steekproef bedraagt 62,6%. Naar aanleiding van de voornoemde steekproef heeft verweerder bij besluit van 25 juli 2016 de vastgestelde vergoeding van de toevoeging met kenmerk [kenmerk 1] ingetrokken. 4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit primair op het standpunt dat bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Verweerder verwijst in dit kader naar werkinstructie C030 sociale voorzieningen – overige geschillen , waaruit volgt dat voor aanvragen en bezwaarprocedures inzake toeslagen geen toevoeging wordt verleend. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de toevoeging met kenmerk [kenmerk 2]. 5. Eiseres voert allereerst aan dat werkinstructie C030 niet ziet op procedures rondom een herzieningsverzoek. Ook uit de Wet op de rechtsbijstand volgt niet dat herzieningsverzoeken worden uitgesloten van een toevoeging. Eiseres stelt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Ten aanzien van de subsidiaire grond van het bestreden besluit voert eiseres aan dat de herzieningsprocedure valt onder de reikwijdte van artikel 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr 2000) en dat er sprake is van afzonderlijke procedures die allebei voor toevoeging in aanmerking komen. Eiseres meent dat er een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek aan de bestreden besluiten kleeft nu niet al haar vragen in de bezwaarfase zijn beantwoord en verweerder niet op de hoorzitting aanwezig was. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 6.1. De rechtbank is van