Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2016-12-28
ECLI:NL:RBDHA:2016:16667
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,717 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 16/2114 (beroep)
AWB 16/2115 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 28 december 2016 in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit,
eiser, verzoeker, hierna eiser,
(gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Amsterdam),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verweerder,
(gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 april 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Tevens is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
Verweerder heeft op 4 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank betrekt bij het oordeel de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft eerder, op 4 maart 2011, een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, van 6 maart 2012 (AWB 11/27549) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak op 18 september 2012 (201203446/1/V1) in hoger beroep bevestigd.
2. Eiser heeft op 8 april 2015 een herhaalde asielaanvraag ingediend aangezien hij in bezit is van nieuwe documenten waarmee hij zijn asielrelaas uit de eerste procedure kan bevestigen en onderbouwen, aldus eiser. Daarnaast is sprake van een nieuwe gebeurtenis, namelijk dat zijn neef [naam 1] , met wie hij samen hier was ten tijde van de eerste asielprocedure, is teruggestuurd naar Afghanistan en aldaar is vermoord door de Taliban. Eiser heeft foto’s en documenten ontvangen waarmee hij wil bewijzen dat hem bij terugkeer een zelfde lot staat te wachten. Ter ondersteuning van de huidige asielaanvraag heeft eiser de volgende stukken overgelegd:a) verzoek van de vader van eiser aan de politie, bekrachtigd door de dorpsoudsten van 28 oktober 2014;b) verklaring van het politiekorps c.q. de dorpshoofden van 27 oktober 2014 inzake de moord op [naam 1] door gewapende mannen;c) foto’s van neef [naam 1] en diens graf:d) kopie van de taskera van [naam 2] , de broer van eiser;e) kopie van de taskera van [naam 3] , de broer van neef [naam 1] ;f) kopie van dreigbrieven van de Taliban van 6 mei 2010, 9 mei 2013 en 23 april 2013;g) kopie van verklaringen van twee dorpsoudsten van 12 januari 2010 inzake de dood van [naam 3] door de Taliban;h) nieuwsbericht over de dood van de broer van eiser van [datum] ;i) medisch schrijven van een arts van Kruis Post te Amsterdam van 31 maart 2015.3. Voorts heeft eiser in de aanvullende gronden van beroep van 18 februari 2016 aan zijn voorliggende asielaanvraag zijn homoseksuele geaardheid ten grondslag gelegd en, onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 januari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:629), aangevoerd dat verweerder hierover een standpunt dient in te nemen. 3.1 Verweerder stelt zich bij brief van 16 augustus 2016 op het standpunt dat eiser eerst in de beroepsfase naar voren heeft gebracht dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat dit motief geen verband houdt met hetgeen eerder naar voren is gebracht. Uit een uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:35) volgt dat een dergelijk motief niet krachtens 83 Vw bij de beoordeling van het beroep betrokken kan worden. Artikel 40 van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn) brengt hierin geen verandering. Eiser dient een nieuwe aanvraag in te dienen voor een inhoudelijke beoordeling van dit motief. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser geen verband houdt met de in de bestuurlijke fase naar voren gebrachte asielmotieven. Artikel 83a Vw betreft de implementatie van artikel 46 van de Procedurerichtlijn. Uit die richtlijn blijkt niet dat hier de verplichting onder valt om geheel nieuwe asielmotieven bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Verweerder meent dan ook dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken.
3.2
De rechtbank acht het volgende juridische kader van belang.
3.2.1
Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd.
Ingevolge het tweede lid houdt de rechtbank met de in het eerste lid bedoelde gegevens rekening indien deze relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Ingevolge het derde lid wordt met deze gegevens geen rekening gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Ingevolge het vijfde lid laat de staatssecretaris de wederpartij en de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.
3.2.2
Ingevolge artikel 83a Vw omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.
3.2.3
Dit onderzoek sluit aan bij artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Voornoemd artikel beoogt volgens de ‘Explanatory memorandum’ van de Europese Commissie van 1 juni 2011 bij het voorstel voor de Procedurerichtlijn ‘to ensure full respect of fundamental rights as it is informed by developing case law of the Court of Justice of the European Union and the European Court of Human Rights, especially concerning the right to an effective remedy’ (COM(2011) 319, final, p. 4).
3.2.4
Het Europees Hof voor de rechten van de Mens laat (in onder meer de arresten van 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, 10611/09, § 86, 27 maart 2014, W.H. tegen Zweden, 49341/10,§ 59 en 4 juni 2015, J.K. tegen Zweden, 59166/12, § 52, echr.coe.int) ruimte voor een rechterlijke toetsing waarbij de rechter niet zijn eigen oordeel over alle aspecten van een besluit zonder meer voor het oordeel van het bestuur in de plaats kan stellen. Eenzelfde uitgangspunt blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2016:891).
3.3
Deze ruimte in acht nemend komt de rechtbank tot het volgende oordeel.
3.4
Met partijen stelt de rechtbank vast dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser een nieuw asielmotief vormt. Aangezien verweerder zich op het standpunt heeft gesteld een nieuw asielmotief niet te zullen beoordelen in de onderhavige procedure, ontbreekt een (geloofwaardigheids)oordeel over het nieuwe asielmotief van eiser.
3.5
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het volledig en ex nunc onderzoek naar alle feitelijke en juridische gronden als bedoeld in artikel 83a Vw tevens omvat het onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming in de zin van de Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Kwalificatierichtlijn). Daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank eveneens eisers verklaring in beroep dat hij wegens zijn homoseksualiteit vreest voor terugkeer naar Afghanistan. Het standpunt van verweerder, dat, nu dit een nieuw asielmotief betreft, dit beter kan worden beoordeeld bij een nieuw in te dienen asielaanvraag waartegen ook een effectief rechtsmiddel openstaat, maakt dan ook nog niet dat de rechtbank voorbij kan gaan aan de in artikel 83a Vw neergelegde verplichting tot volledig en ex nunc onderzoek. De rechtbank acht in dat kader ook van belang dat, naast de verplichting voor de rechter om in asielzaken ex nunc te toetsen op grond van artikel 83 Vw, er thans door de wetgever voor is gekozen om aanvullend op deze bepaling de verplichting zoals weergegeven in artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn te implementeren in artikel 83a Vw.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.