Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2016-11-08
ECLI:NL:RBDHA:2016:14349
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,512 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 16/5230
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2016 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigden: W.H. Lam en W. Kaldenberg),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 20 mei 2016 op het bezwaar van eiser tegen de opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en daarbij opgelegde boete.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016.
Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] .
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag, inclusief boete;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.
Overwegingen
1. Eiser is blijkens de kentekenregistratie sinds 6 april 2012 houder van een Volkswagen met het kenteken [kenteken] (de auto).
2. Gedurende de periode van 8 mei 2014 tot en met 3 mei 2015 en van 3 mei 2015 tot
en met 14 december 2015 is de geldigheid van het kentekenbewijs van de auto door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.
3. Op 13 augustus 2015 om 11.20 uur is bij een controle op de [adres] te Rotterdam geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de weg. Op die locatie ligt een bedrijfsverzamelgebouw (het gebouw) waar eiser een opslagunit huurt.
4. Naar aanleiding van deze constatering zijn de naheffingsaanslag en boete opgelegd.
De nageven belasting bedraagt € 699 waarover een verzuimboete van 100%, oftewel € 699, is opgelegd.
5. In geschil is of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht zijn opgelegd.
Eiser stelt dat de auto zich op de controledatum niet op de openbare weg bevond, maar dat deze geparkeerd stond op een privé bedrijfsterrein en dat daarom de naheffingsaanslag en boete ten onrechte zijn opgelegd.
6. Op grond van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) kan bij constatering van het gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing de belasting worden nageheven.
7. Op grond van artikel 5 van de Wet MRB wordt verstaan onder weg: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.
8. Voor beantwoording van de vraag of het bedrijfsterrein, of een gedeelte daarvan, aangemerkt dient te worden als een weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA4801) waarin is overwogen:
“3.2. Voor de beantwoording van de vraag of een particulier terrein als een voor het openbaar r rijverkeer of ander verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 5 van de Wet moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat; daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene rijverkeer gebruik maakt van het terrein (vgl. HR 8 april 1997, nr. 602-96-V, VR 1998,2).”
9. Uit de door eiser overgelegde gedingstukken en hetgeen door hem daarover onweersproken is gesteld, komt allereerst naar voren dat de verhuurder van het bedrijfsterrein er op toeziet dat auto’s en materialen van personen die niet bevoegd zijn zich op dat deel van het terrein te bevinden, worden verwijderd. Verder komt hieruit naar voren, en is door verweerder niet weersproken, dat de auto van eiser stond geparkeerd achter het gebouw in een steeg waaraan een aantal garageboxen zijn gelegen die door derden, waaronder eiser, worden gehuurd voor opslag. Gelet op de situering, zodanig dat de parkeerplaatsen vanaf de straatzijde op geen enkele wijze zichtbaar zijn, én de omstandigheid dat sprake is van onverharde grond in dat gedeelte, is de rechtbank van oordeel dat dat deel van het terrein moet worden gezien als een doodlopende steeg, een en ander zodanig dat dit deel niet kwalificeert als behorend tot en deel uitmakend van de openbare weg. De bestrating van dit betreffende deel is ook zodanig dat je er niets hebt te zoeken. Gelet op het voorgaande kan verder onbesproken blijven de welles-nietes standpunten van partijen over de kwestie of er ten tijde van de controle op een ander gedeelte van het terrein al dan niet een ketting zou hebben gehangen.
Ook de overige beroepsgronden van eiser behoeven geen nadere bespreking.
10. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het terrein waar eisers auto geparkeerd stond, feitelijk niet openstaat voor het openbaar rijverkeer, zodat het niet kwalificeert als weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB. Verweerder heeft de naheffingsaanslag en boete dan ook ten onrechte opgelegd, zodat het beroep gegrond is verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.