Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2015-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2015:5966
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,527 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 14/11306
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. P.B. Spaargaren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. de Bluts-Alsemgeest).
Procesverloop
Bij besluiten van 15 mei 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht van eiser op uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW) herzien en het daarmee verband houdende uitkeringsbedrag van € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen de door eiser meegebrachte getuigen [persoon A] en [persoon B].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Eiser heeft een ZW-aanvraag ingediend. Op de vragenlijst ziekte- en re-integratie heeft hij aangegeven dat zijn laatste werkgever [bedrijf X] B.V. te Den Haag ([bedrijf X]) was. Datum van indiensttreding was 25 maart 2013. Als laatste functie heeft eiser ‘groenvoorziening’ opgegeven. Op 25 april 2013 is hij, in verband met het scooterongeval waarbij hij zijn been had gebroken, in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
1.2
Door een inspecteur van verweerder is in het kader van het project “Loket Gefingeerde Dienstverbanden” op 1 mei 2014 een onderzoeksrapport uitgebracht. Verweerder heeft hieruit opgemaakt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot 23 april 2013 niet in loondienst heeft gewerkt bij [bedrijf X] en derhalve niet als verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringen kan worden aangemerkt.
1.3
Bij de primaire besluiten van 15 mei 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op de aan hem toegekende ZW-uitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat hij een gefingeerd dienstverband met [bedrijf X] heeft gehad en nooit persoonlijk arbeid heeft verricht. Daarom heeft verweerder over de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2014 de toegekende uitkering herzien en het daaraan verbonden uitkeringsbedrag ter hoogte van in totaal € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
1.4
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij door [bedrijf X] werd uitgeleend aan [bedrijf Y] ([bedrijf Y]). Bij zijn ZW-aanvraag heeft hij per abuis aangegeven dat hij laatstelijk heeft gewerkt in de groenvoorziening.
2. Het bestreden besluit berust in hoofdzaak op het standpunt dat eiser niet werkzaam is geweest in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat hij daarom geen werknemer in de zin van de ZW was. Verweerder acht op grond van de uit het onderzoeksrapport naar voren komende feiten en omstandigheden niet geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest als uitzendkracht in dienst van [bedrijf X]. Nu eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, was hij geen werknemer in de zin van de ZW en had hij daarom geen recht op ZW-uitkering. Volgens verweerder is het recht op ZW-uitkering terecht met terugwerkende kracht herzien en het uitkeringsbedrag terug- en ingevorderd.
3. In beroep voert eiser aan dat hij wel werkzaam is geweest bij [bedrijf X] en dat het bestreden besluit onzorgvuldig en tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij door [bedrijf X] is uitgezonden naar inlener [bedrijf Y], waar hij medewerkers heeft aangestuurd. Eiser heeft in beroep een verklaring overgelegd van [persoon C] (directeur van [bedrijf Y]) waarin deze bevestigt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 april 2013 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf Y]. Tevens heeft eiser een verklaring overgelegd van [persoon C], [persoon B] (projectleider bij [bedrijf Y]) en [persoon A] (directeur van [bedrijf X]), waarin zij bevestigen dat eiser werkzaam is geweest bij [bedrijf Y].
4.1
Artikel 3, eerste lid, van de ZW bepaalt dat werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
4.2
In artikel 20 van de ZW is bepaald dat de werknemers in de zin van deze wet verzekerd zijn.
4.3
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW is het Uwv verplicht om de ZW-uitkering te herzien of in te trekken, indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.4
Artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht het Uwv om het als gevolg van een besluit op grond van artikel 30a van de ZW onverschuldigd uitbetaald ziekengeld terug te vorderen.
5. Aan de orde is of verweerder eiser terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW omdat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
6.1
Voor de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of tussen eiser en [bedrijf X] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen dienen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar ook dient acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (zie ECLI:NL:HR:2012:BU8926 en ECLI:NL:HR:2011:BP3887).
6.2
Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf X] of andere werkgevers. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.
6.3
Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voor de eerste verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd (zie onder meer CRvB 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig en toereikend onderzoek heeft verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van eiser geen sprake is geweest van een dienstbetrekking voorafgaande aan de ziekmelding per 23 april 2013. De onderzoeksbevindingen in het rapport van 1 mei 2014 bieden voldoende basis voor de conclusie dat bij [bedrijf X] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met eiser. In dit kader overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het verhoor van 22 april 2014 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij in de periode tot 18 maart 2013 uit hoofde van zijn eenmanszaak Atahan werkte als zzp’er in de groenvoorziening, waarbij hij door uitzendbureau [bedrijf X] werd uitgezonden naar inlener [inlener] te [plaats]. Daarnaast heeft eiser verklaart dat hij op 25 maart 2013 bij [bedrijf X] in loondienst is gaan werken. Niet meer in de groenvoorziening maar als een soort voorman annex werkvoorbereider, die het personeel aanstuurde en, voor de aanvang van de werkzaamheden, de auto’s van [bedrijf X], de tankinhoud en het gereedschap controleerde. Bij het onderzoek hebben de opsporingsambtenaren echter geconstateerd dat eiser op de zogeheten Vragenlijst ziekte en re-integratie van 17 juni 2013 heeft ingevuld dat hij in zijn laatste functie werkzaam was in de groenvoorziening met als belangrijkste taken snoeien, bosmaaien, schoffelen, opruimen, harken, blazen en laden en lossen. Ook ten overstaan van de verzekeringsarts van het Uwv op 13 augustus 2013 heeft hij aangegeven dat hij als productiemedewerker in de groenvoorziening werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voor deze discrepantie geen plausibele verklaring gegeven. Te meer nu uit het onderzoeksrapport blijkt dat op 16 april 2014 de gehele debiteurenadministratie van [bedrijf X] is opgevraagd en verkregen en dat daaruit is vastgesteld dat eiser na 18 maart 2013 niet meer werkzaam is geweest voor [bedrijf X].
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. D. Biever en mr. drs. J. Smeets, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 14/11306
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. P.B. Spaargaren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. de Bluts-Alsemgeest).
Procesverloop
Bij besluiten van 15 mei 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht van eiser op uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW) herzien en het daarmee verband houdende uitkeringsbedrag van € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen de door eiser meegebrachte getuigen [persoon A] en [persoon B].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Eiser heeft een ZW-aanvraag ingediend. Op de vragenlijst ziekte- en re-integratie heeft hij aangegeven dat zijn laatste werkgever [bedrijf X] B.V. te Den Haag ([bedrijf X]) was. Datum van indiensttreding was 25 maart 2013. Als laatste functie heeft eiser ‘groenvoorziening’ opgegeven. Op 25 april 2013 is hij, in verband met het scooterongeval waarbij hij zijn been had gebroken, in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
1.2
Door een inspecteur van verweerder is in het kader van het project “Loket Gefingeerde Dienstverbanden” op 1 mei 2014 een onderzoeksrapport uitgebracht. Verweerder heeft hieruit opgemaakt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot 23 april 2013 niet in loondienst heeft gewerkt bij [bedrijf X] en derhalve niet als verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringen kan worden aangemerkt.
1.3
Bij de primaire besluiten van 15 mei 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op de aan hem toegekende ZW-uitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat hij een gefingeerd dienstverband met [bedrijf X] heeft gehad en nooit persoonlijk arbeid heeft verricht. Daarom heeft verweerder over de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2014 de toegekende uitkering herzien en het daaraan verbonden uitkeringsbedrag ter hoogte van in totaal € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
1.4
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij door [bedrijf X] werd uitgeleend aan [bedrijf Y] ([bedrijf Y]). Bij zijn ZW-aanvraag heeft hij per abuis aangegeven dat hij laatstelijk heeft gewerkt in de groenvoorziening.
2. Het bestreden besluit berust in hoofdzaak op het standpunt dat eiser niet werkzaam is geweest in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat hij daarom geen werknemer in de zin van de ZW was. Verweerder acht op grond van de uit het onderzoeksrapport naar voren komende feiten en omstandigheden niet geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest als uitzendkracht in dienst van [bedrijf X]. Nu eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, was hij geen werknemer in de zin van de ZW en had hij daarom geen recht op ZW-uitkering. Volgens verweerder is het recht op ZW-uitkering terecht met terugwerkende kracht herzien en het uitkeringsbedrag terug- en ingevorderd.
3. In beroep voert eiser aan dat hij wel werkzaam is geweest bij [bedrijf X] en dat het bestreden besluit onzorgvuldig en tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij door [bedrijf X] is uitgezonden naar inlener [bedrijf Y], waar hij medewerkers heeft aangestuurd. Eiser heeft in beroep een verklaring overgelegd van [persoon C] (directeur van [bedrijf Y]) waarin deze bevestigt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 april 2013 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf Y]. Tevens heeft eiser een verklaring overgelegd van [persoon C], [persoon B] (projectleider bij [bedrijf Y]) en [persoon A] (directeur van [bedrijf X]), waarin zij bevestigen dat eiser werkzaam is geweest bij [bedrijf Y].
4.1
Artikel 3, eerste lid, van de ZW bepaalt dat werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
4.2
In artikel 20 van de ZW is bepaald dat de werknemers in de zin van deze wet verzekerd zijn.
4.3
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW is het Uwv verplicht om de ZW-uitkering te herzien of in te trekken, indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.4
Artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht het Uwv om het als gevolg van een besluit op grond van artikel 30a van de ZW onverschuldigd uitbetaald ziekengeld terug te vorderen.
5. Aan de orde is of verweerder eiser terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW omdat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
6.1
Voor de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of tussen eiser en [bedrijf X] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen dienen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar ook dient acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (zie ECLI:NL:HR:2012:BU8926 en ECLI:NL:HR:2011:BP3887).
6.2
Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf X] of andere werkgevers. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.
6.3
Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voor de eerste verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd (zie onder meer CRvB 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig en toereikend onderzoek heeft verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van eiser geen sprake is geweest van een dienstbetrekking voorafgaande aan de ziekmelding per 23 april 2013. De onderzoeksbevindingen in het rapport van 1 mei 2014 bieden voldoende basis voor de conclusie dat bij [bedrijf X] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met eiser. In dit kader overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het verhoor van 22 april 2014 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij in de periode tot 18 maart 2013 uit hoofde van zijn eenmanszaak Atahan werkte als zzp’er in de groenvoorziening, waarbij hij door uitzendbureau [bedrijf X] werd uitgezonden naar inlener [inlener] te [plaats]. Daarnaast heeft eiser verklaart dat hij op 25 maart 2013 bij [bedrijf X] in loondienst is gaan werken. Niet meer in de groenvoorziening maar als een soort voorman annex werkvoorbereider, die het personeel aanstuurde en, voor de aanvang van de werkzaamheden, de auto’s van [bedrijf X], de tankinhoud en het gereedschap controleerde. Bij het onderzoek hebben de opsporingsambtenaren echter geconstateerd dat eiser op de zogeheten Vragenlijst ziekte en re-integratie van 17 juni 2013 heeft ingevuld dat hij in zijn laatste functie werkzaam was in de groenvoorziening met als belangrijkste taken snoeien, bosmaaien, schoffelen, opruimen, harken, blazen en laden en lossen. Ook ten overstaan van de verzekeringsarts van het Uwv op 13 augustus 2013 heeft hij aangegeven dat hij als productiemedewerker in de groenvoorziening werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voor deze discrepantie geen plausibele verklaring gegeven. Te meer nu uit het onderzoeksrapport blijkt dat op 16 april 2014 de gehele debiteurenadministratie van [bedrijf X] is opgevraagd en verkregen en dat daaruit is vastgesteld dat eiser na 18 maart 2013 niet meer werkzaam is geweest voor [bedrijf X].
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. D. Biever en mr. drs. J. Smeets, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 14/11306
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. P.B. Spaargaren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. de Bluts-Alsemgeest).
Procesverloop
Bij besluiten van 15 mei 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht van eiser op uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW) herzien en het daarmee verband houdende uitkeringsbedrag van € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen de door eiser meegebrachte getuigen [persoon A] en [persoon B].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Eiser heeft een ZW-aanvraag ingediend. Op de vragenlijst ziekte- en re-integratie heeft hij aangegeven dat zijn laatste werkgever [bedrijf X] B.V. te Den Haag ([bedrijf X]) was. Datum van indiensttreding was 25 maart 2013. Als laatste functie heeft eiser ‘groenvoorziening’ opgegeven. Op 25 april 2013 is hij, in verband met het scooterongeval waarbij hij zijn been had gebroken, in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
1.2
Door een inspecteur van verweerder is in het kader van het project “Loket Gefingeerde Dienstverbanden” op 1 mei 2014 een onderzoeksrapport uitgebracht. Verweerder heeft hieruit opgemaakt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot 23 april 2013 niet in loondienst heeft gewerkt bij [bedrijf X] en derhalve niet als verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringen kan worden aangemerkt.
1.3
Bij de primaire besluiten van 15 mei 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op de aan hem toegekende ZW-uitkering omdat uit onderzoek is gebleken dat hij een gefingeerd dienstverband met [bedrijf X] heeft gehad en nooit persoonlijk arbeid heeft verricht. Daarom heeft verweerder over de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2014 de toegekende uitkering herzien en het daaraan verbonden uitkeringsbedrag ter hoogte van in totaal € 27.434,03 terug- en ingevorderd.
1.4
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij door [bedrijf X] werd uitgeleend aan [bedrijf Y] ([bedrijf Y]). Bij zijn ZW-aanvraag heeft hij per abuis aangegeven dat hij laatstelijk heeft gewerkt in de groenvoorziening.
2. Het bestreden besluit berust in hoofdzaak op het standpunt dat eiser niet werkzaam is geweest in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat hij daarom geen werknemer in de zin van de ZW was. Verweerder acht op grond van de uit het onderzoeksrapport naar voren komende feiten en omstandigheden niet geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest als uitzendkracht in dienst van [bedrijf X]. Nu eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, was hij geen werknemer in de zin van de ZW en had hij daarom geen recht op ZW-uitkering. Volgens verweerder is het recht op ZW-uitkering terecht met terugwerkende kracht herzien en het uitkeringsbedrag terug- en ingevorderd.
3. In beroep voert eiser aan dat hij wel werkzaam is geweest bij [bedrijf X] en dat het bestreden besluit onzorgvuldig en tevens in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij door [bedrijf X] is uitgezonden naar inlener [bedrijf Y], waar hij medewerkers heeft aangestuurd. Eiser heeft in beroep een verklaring overgelegd van [persoon C] (directeur van [bedrijf Y]) waarin deze bevestigt dat eiser in de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 april 2013 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf Y]. Tevens heeft eiser een verklaring overgelegd van [persoon C], [persoon B] (projectleider bij [bedrijf Y]) en [persoon A] (directeur van [bedrijf X]), waarin zij bevestigen dat eiser werkzaam is geweest bij [bedrijf Y].
4.1
Artikel 3, eerste lid, van de ZW bepaalt dat werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
4.2
In artikel 20 van de ZW is bepaald dat de werknemers in de zin van deze wet verzekerd zijn.
4.3
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW is het Uwv verplicht om de ZW-uitkering te herzien of in te trekken, indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.4
Artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht het Uwv om het als gevolg van een besluit op grond van artikel 30a van de ZW onverschuldigd uitbetaald ziekengeld terug te vorderen.
5. Aan de orde is of verweerder eiser terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW omdat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
6.1
Voor de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of tussen eiser en [bedrijf X] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen dienen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar ook dient acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (zie ECLI:NL:HR:2012:BU8926 en ECLI:NL:HR:2011:BP3887).
6.2
Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf X] of andere werkgevers. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.
6.3
Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voor de eerste verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd (zie onder meer CRvB 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig en toereikend onderzoek heeft verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van eiser geen sprake is geweest van een dienstbetrekking voorafgaande aan de ziekmelding per 23 april 2013. De onderzoeksbevindingen in het rapport van 1 mei 2014 bieden voldoende basis voor de conclusie dat bij [bedrijf X] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met eiser. In dit kader overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het verhoor van 22 april 2014 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij in de periode tot 18 maart 2013 uit hoofde van zijn eenmanszaak Atahan werkte als zzp’er in de groenvoorziening, waarbij hij door uitzendbureau [bedrijf X] werd uitgezonden naar inlener [inlener] te [plaats]. Daarnaast heeft eiser verklaart dat hij op 25 maart 2013 bij [bedrijf X] in loondienst is gaan werken. Niet meer in de groenvoorziening maar als een soort voorman annex werkvoorbereider, die het personeel aanstuurde en, voor de aanvang van de werkzaamheden, de auto’s van [bedrijf X], de tankinhoud en het gereedschap controleerde. Bij het onderzoek hebben de opsporingsambtenaren echter geconstateerd dat eiser op de zogeheten Vragenlijst ziekte en re-integratie van 17 juni 2013 heeft ingevuld dat hij in zijn laatste functie werkzaam was in de groenvoorziening met als belangrijkste taken snoeien, bosmaaien, schoffelen, opruimen, harken, blazen en laden en lossen. Ook ten overstaan van de verzekeringsarts van het Uwv op 13 augustus 2013 heeft hij aangegeven dat hij als productiemedewerker in de groenvoorziening werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voor deze discrepantie geen plausibele verklaring gegeven. Te meer nu uit het onderzoeksrapport blijkt dat op 16 april 2014 de gehele debiteurenadministratie van [bedrijf X] is opgevraagd en verkregen en dat daaruit is vastgesteld dat eiser na 18 maart 2013 niet meer werkzaam is geweest voor [bedrijf X].
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. D. Biever en mr. drs. J. Smeets, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.