Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2014-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2014:5980
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,590 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Politierechter
Parketnummer 96/044269-13
Datum uitspraak: 15 mei 2014
(vonnis)
De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [datum] 1960,
adres: [adres].
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 2 oktober 2013 en 1 mei 2014.
Het verloop van de procedure
Ter zitting van 2 oktober 2013 is het onderzoek gesloten en bepaald dat op 16 oktober 2013 schriftelijk vonnis zal worden gewezen.
In vorenbedoeld vonnis van 16 oktober 2013 heeft de politierechter beslist dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst. Bevolen is de voortzetting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting. De politierechter heeft daartoe overwogen dat het onderzoek niet volledig is geweest. De politierechter acht zich omtrent het door het Centraal Bureau voor de Afgifte van Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) gedane aanbod tot deelname aan het Alcoholslotprogramma (hierna ook: ASP of programma) en de modaliteiten daarvan niet volledig ingelicht en acht het noodzakelijk dat de raadsman alsnog gedocumenteerde inlichtingen verschaft. Voorts dient een afdoende onderbouwing te worden gegeven aan de gestelde onmogelijkheid om aan het programma deel te nemen. Ten slotte wil de politierechter worden geïnformeerd omtrent de feitelijke keuze die verdachte heeft gemaakt met betrekking tot de aan haar voorgestelde deelname aan ASP.
De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Den Haag, is ter terechtzitting van 1 mei 2014 verschenen en gehoord.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft bericht dat verdachte er in is geslaagd geld te lenen bij haar familie, waardoor zij in februari 2014 kon beginnen met het ASP. Doordat zij niet eerder het geld bij elkaar kon krijgen, heeft verdachte feitelijk een jaar lang niet in haar auto kunnen rijden. Verdachte ervaart het gebruik van het alcoholslot als zeer stigmatiserend.
De raadsman heeft bescheiden overgelegd, die een gespecificeerd inzicht geven in de financiële omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft hij correspondentie van het CBR overgelegd, waaronder ook een brief van 7 maart 2013. Hierin wordt bericht dat de geldigheid van het rijbewijs van verdachte wordt geschorst en dat is besloten een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. De totale kosten van oplegging en uitvoering van het onderzoek bedragen € 990,-, welk bedrag verdachte heeft voldaan. Deze mededeling van het CBR is vergezeld van een bijlage waarin wordt bericht dat tegen de beslissingen bezwaar kan worden ingediend. In een nadere bijlage wordt meegedeeld dat bezwaar in het algemeen geen kans van slagen heeft indien het bijvoorbeeld wordt gestoeld op persoonlijke omstandigheden.
Op 24 juli 2013 heeft het CBR het rijbewijs van verdachte met ingang van 31 juli 2013 ongeldig verklaard en aan verdachte het ASP opgelegd. Ook dit besluit is vergezeld van voornoemde mededeling met betrekking tot het instellen en de kans van slagen van een bezwaarschrift.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, verzet zich tegen de door de verdediging primair verzochte niet-ontvankelijk verklaring. Hij stelt voorop dat er geen sprake is van een ‘criminal charge’ en verwijst daartoe naar een aantal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ook: ABRS of de Afdeling). De officier van justitie concludeert dat uit deze uitspraken – in elk geval voor de houder van een rijbewijs B, zoals verdachte – volgt dat het opleggen van een ASP geen criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert. De ABRS heeft daarbij acht geslagen op het educatieve karakter van het ASP.
Overigens behoeft de stelling van de verdediging dat het rijbewijs per definitie vijf jaar ongeldig blijft volgens de officier van justitie nuancering, nu er een spijtoptantenregeling geldt . Dit betekent dat de betrokkene op elk moment binnen deze vijf jaar kan besluiten om alsnog aan het ASP deel te nemen.
Mocht het opleggen van het ASP in dit geval wel een criminal charge opleveren, dan nog is de strafvervolging niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Om te beginnen is er in dit geval geen gecodificeerde bepaling van dit beginsel van toepassing. In tegenstelling tot wat nog wel eens wordt gedacht, maakt het ne bis in idem-beginsel geen deel uit van de waarborgen van artikel 6 EVRM. Het beginsel is wel opgenomen in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM en artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Nederland heeft het Zevende Protocol bij het EVRM echter niet geratificeerd en bij artikel 14, lid 7, IVBPR een voorbehoud gemaakt, inhoudende dat geen verder gaande verplichtingen worden aanvaard dan die welke voortvloeien uit artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel heeft echter alleen betrekking op beslissingen van de strafrechter. Tot slot is er nog de una via-regeling van artikel 243 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze regeling ziet echter alleen op de situatie waarin voorafgaande aan een voorgenomen strafvervolging reeds een bestuurlijke boete is opgelegd.
Bij het ontbreken van een toepasselijke bepaling in het positieve recht rijst vervolgens de vraag of het ne bis in idem-beginsel in de Nederlandse rechtsorde dan de status heeft van algemeen rechtsbeginsel, waarvan het toepassingsbereik zich uitstrekt tot álle bestraffende sancties. Uit de conclusie van AG Knigge voor HR 20 maart 2007, NJ 2007, 181 blijkt volgens de officier van justitie dat dit niet het geval is.
De officier concludeert dan ook dat zelfs al zou het opleggen van een ASP aan de houder van een rijbewijs B wel een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM opleveren, dan nog is de strafvervolging niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Het openbaar ministerie (OM) is daarom ontvankelijk in de vervolging.
De verdere beoordeling van de ontvankelijkheid.
Het ASP
De politierechter stelt voorop dat de beslissingen van het CBR strekkende tot het opleggen van het ASP in alle gevallen twee ledig zijn. De beslissingen stellen voorop dat het rijbewijs van betrokkene voor een periode van vijf jaar ongeldig wordt verklaard. In die periode kan betrokkene door deelname aan het ASP gedurende tenminste twee jaar een beperkt rijbewijs krijgen. Bij succesvolle afronding van het ASP kan binnen de periode van vijf jaar, maar niet eerder dan na afronding van het ASP, weer een regulier rijbewijs worden verkregen. Aldus begrepen heeft het opleggen van het ASP het karakter van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid; de volle periode van ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt niet tenuitvoergelegd indien betrokkene zich houdt aan de voorwaarde deel te nemen aan het ASP (waaronder het meewerken aan het toezicht van het CBR op de uitvoering van het programma en het dragen van de kosten daarvan).
Dictum
De eerste beroepsinstanties hebben die toets daadwerkelijk toegepast en naar aanleiding daarvan geconcludeerd dat de beslissing van het CBR tot oplegging van het ASP dient te worden vernietigd. De Afdeling heeft evenwel anders beslist en geoordeeld dat de procedure wel met voldoende waarborgen is omkleed. Tegen die achtergrond kan de politierechter niet anders dan uit te gaan van de geldigheid van de beslissing van het CBR strekkende tot oplegging van het ASP.
Bij die stand van zaken is er dus sprake van een geldige maatregel, opgelegd na vervolging (criminal charge) welke vervolging voor geldig althans opgelegd na een eerlijk proces moet worden gehouden. Het beroep op ne bis in idem komt hiermee aan de orde.
Ne bis in idem
Het ASP heeft ten doel het beteugelen van de gevaren voor de verkeersveiligheid door de rijgeschiktheid van de betrokken bestuurder te bevorderen. Dit sluit niet uit dat de maatregel als een punitieve maatregel moet worden aangemerkt. Met een punitieve maatregel wordt immers ook speciale preventie beoogd. Het punitieve karakter volgt ook uit de omstandigheid dat de deelname aan het programma wordt ‘afgedwongen’ door het ‘voorwaardelijk deel van de beslissing tot oplegging, dat bij niet deelname het rijbewijs gedurende vijf jaar zijn geldigheid zal verliezen. De politierechter merkt op dat ook ander bekende maatregelen, zoals een oplegging van tbs of de oplegging van deelname aan bijvoorbeeld een agressietraining als oplegging van een strafmaatregelen worden aangemerkt.
In het licht van het bovenstaande, komt de politierechter tot het oordeel, dat gelet op de aard
van de overtreden norm en het doel, de aard en de zwaarte van het ASP daaraan in het algemeen en dus ook in het geval van verdachte een straffend karakter niet te ontzeggen valt. Daarmee is de maatregel gelijk te stellen met een sanctie opgelegd naar aanleiding van een tegen betrokkene ingestelde strafvervolging.
Het door de officier van justitie besproken artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, waarin het ne bis in idem-beginsel vastgelegd is niet van toepassing, omdat Nederland genoemd Protocol niet geratificeerd heeft. Het ne bis in idem beginsel is ook opgenomen in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 14, lid 7, van het IVBPR. Eerstgenoemd artikel is evenmin van toepassing, aangezien de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten gericht zijn uitsluitend wanneer zij het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengen. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. Met betrekking tot genoemde IVBPR bepaling heeft Nederland het voorbehoud gemaakt dat het deze bepaling slechts aanvaardt voor zover daar geen verplichtingen aan verbonden zijn die verder reiken dan artikel 68 Sr voorschrijft. Het uit genoemd beginsel voortvloeiende verbod van dubbele bestraffing is echter wel ingebed in het Nederlands recht. Naar het oordeel van de politierechter houdt het in artikel 68 Sr neergelegde ne bis in idem-beginsel mede in dat geen strafvervolging ingesteld mag worden tegen een persoon, aan wie ter zake van het feit waarvoor hij vervolgd zou worden reeds definitief een bestuursrechtelijke sanctie opgelegd is. In de onderhavige zaak is van dat laatste sprake, zodat de officier van justitie naar het oordeel van de politierechter niet-ontvankelijk dient te worden in zijn vervolging van verdachte.
Het ne bis in idem-beginsel brengt mee dat voor hetzelfde feitencomplex niet ten tweede male vervolgd kan worden. De werking van de regel is dan ook beperkt tot het feit waarover in de eerdere/andere instantie is beslist. Wat betreft verdachte is dat feit te kennen uit eerder genoemd besluit van het CBR van 7 maart 2013. En is in dat besluit uit gegaan van het gegeven dat bij verdachte op 22 februari 2013 een ademalcoholgehalte van 805 µg/l is geconstateerd. Nu dat overeenstemt met de feitelijkheden die in deze (straf)zaak ten laste zijn gelegd, zal hierna de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie worden uitgesproken. De politierechter merkt op dat dit oordeel anders zou zijn indien verdachte thans meer of andere feiten verweten zouden kunnen worden dan die al zijn beoordeeld in de bestuursrechtelijke instantie, zoals bijzondere recidive of overtreding van andere voorschriften dan artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De politierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van
15 mei 2014.
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1643
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1604
- ABRS 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1770
Artikel 6 EVRM gebruikt in de Nederlandstalige tekst in alle leden het begrip ‘vervolging’. Er dient van uit te worden gegaan dat het eerste lid ziet op in elk geval vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen én strafvervolging. De leden 2 en 3 zien specifiek op strafvervolging waardoor de bijzonder waarborgen voorzien in die leden dienen te gelden.
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Politierechter
Parketnummer 96/044269-13
Datum uitspraak: 15 mei 2014
(vonnis)
De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [datum] 1960,
adres: [adres].
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 2 oktober 2013 en 1 mei 2014.
Het verloop van de procedure
Ter zitting van 2 oktober 2013 is het onderzoek gesloten en bepaald dat op 16 oktober 2013 schriftelijk vonnis zal worden gewezen.
In vorenbedoeld vonnis van 16 oktober 2013 heeft de politierechter beslist dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst. Bevolen is de voortzetting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting. De politierechter heeft daartoe overwogen dat het onderzoek niet volledig is geweest. De politierechter acht zich omtrent het door het Centraal Bureau voor de Afgifte van Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) gedane aanbod tot deelname aan het Alcoholslotprogramma (hierna ook: ASP of programma) en de modaliteiten daarvan niet volledig ingelicht en acht het noodzakelijk dat de raadsman alsnog gedocumenteerde inlichtingen verschaft. Voorts dient een afdoende onderbouwing te worden gegeven aan de gestelde onmogelijkheid om aan het programma deel te nemen. Ten slotte wil de politierechter worden geïnformeerd omtrent de feitelijke keuze die verdachte heeft gemaakt met betrekking tot de aan haar voorgestelde deelname aan ASP.
De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Den Haag, is ter terechtzitting van 1 mei 2014 verschenen en gehoord.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft bericht dat verdachte er in is geslaagd geld te lenen bij haar familie, waardoor zij in februari 2014 kon beginnen met het ASP. Doordat zij niet eerder het geld bij elkaar kon krijgen, heeft verdachte feitelijk een jaar lang niet in haar auto kunnen rijden. Verdachte ervaart het gebruik van het alcoholslot als zeer stigmatiserend.
De raadsman heeft bescheiden overgelegd, die een gespecificeerd inzicht geven in de financiële omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft hij correspondentie van het CBR overgelegd, waaronder ook een brief van 7 maart 2013. Hierin wordt bericht dat de geldigheid van het rijbewijs van verdachte wordt geschorst en dat is besloten een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. De totale kosten van oplegging en uitvoering van het onderzoek bedragen € 990,-, welk bedrag verdachte heeft voldaan. Deze mededeling van het CBR is vergezeld van een bijlage waarin wordt bericht dat tegen de beslissingen bezwaar kan worden ingediend. In een nadere bijlage wordt meegedeeld dat bezwaar in het algemeen geen kans van slagen heeft indien het bijvoorbeeld wordt gestoeld op persoonlijke omstandigheden.
Op 24 juli 2013 heeft het CBR het rijbewijs van verdachte met ingang van 31 juli 2013 ongeldig verklaard en aan verdachte het ASP opgelegd. Ook dit besluit is vergezeld van voornoemde mededeling met betrekking tot het instellen en de kans van slagen van een bezwaarschrift.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, verzet zich tegen de door de verdediging primair verzochte niet-ontvankelijk verklaring. Hij stelt voorop dat er geen sprake is van een ‘criminal charge’ en verwijst daartoe naar een aantal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ook: ABRS of de Afdeling). De officier van justitie concludeert dat uit deze uitspraken – in elk geval voor de houder van een rijbewijs B, zoals verdachte – volgt dat het opleggen van een ASP geen criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert. De ABRS heeft daarbij acht geslagen op het educatieve karakter van het ASP.
Overigens behoeft de stelling van de verdediging dat het rijbewijs per definitie vijf jaar ongeldig blijft volgens de officier van justitie nuancering, nu er een spijtoptantenregeling geldt . Dit betekent dat de betrokkene op elk moment binnen deze vijf jaar kan besluiten om alsnog aan het ASP deel te nemen.
Mocht het opleggen van het ASP in dit geval wel een criminal charge opleveren, dan nog is de strafvervolging niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Om te beginnen is er in dit geval geen gecodificeerde bepaling van dit beginsel van toepassing. In tegenstelling tot wat nog wel eens wordt gedacht, maakt het ne bis in idem-beginsel geen deel uit van de waarborgen van artikel 6 EVRM. Het beginsel is wel opgenomen in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM en artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Nederland heeft het Zevende Protocol bij het EVRM echter niet geratificeerd en bij artikel 14, lid 7, IVBPR een voorbehoud gemaakt, inhoudende dat geen verder gaande verplichtingen worden aanvaard dan die welke voortvloeien uit artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel heeft echter alleen betrekking op beslissingen van de strafrechter. Tot slot is er nog de una via-regeling van artikel 243 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze regeling ziet echter alleen op de situatie waarin voorafgaande aan een voorgenomen strafvervolging reeds een bestuurlijke boete is opgelegd.
Bij het ontbreken van een toepasselijke bepaling in het positieve recht rijst vervolgens de vraag of het ne bis in idem-beginsel in de Nederlandse rechtsorde dan de status heeft van algemeen rechtsbeginsel, waarvan het toepassingsbereik zich uitstrekt tot álle bestraffende sancties. Uit de conclusie van AG Knigge voor HR 20 maart 2007, NJ 2007, 181 blijkt volgens de officier van justitie dat dit niet het geval is.
De officier concludeert dan ook dat zelfs al zou het opleggen van een ASP aan de houder van een rijbewijs B wel een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM opleveren, dan nog is de strafvervolging niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Het openbaar ministerie (OM) is daarom ontvankelijk in de vervolging.
De verdere beoordeling van de ontvankelijkheid.
Het ASP
De politierechter stelt voorop dat de beslissingen van het CBR strekkende tot het opleggen van het ASP in alle gevallen twee ledig zijn. De beslissingen stellen voorop dat het rijbewijs van betrokkene voor een periode van vijf jaar ongeldig wordt verklaard. In die periode kan betrokkene door deelname aan het ASP gedurende tenminste twee jaar een beperkt rijbewijs krijgen. Bij succesvolle afronding van het ASP kan binnen de periode van vijf jaar, maar niet eerder dan na afronding van het ASP, weer een regulier rijbewijs worden verkregen. Aldus begrepen heeft het opleggen van het ASP het karakter van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid; de volle periode van ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt niet tenuitvoergelegd indien betrokkene zich houdt aan de voorwaarde deel te nemen aan het ASP (waaronder het meewerken aan het toezicht van het CBR op de uitvoering van het programma en het dragen van de kosten daarvan).
Dictum
De eerste beroepsinstanties hebben die toets daadwerkelijk toegepast en naar aanleiding daarvan geconcludeerd dat de beslissing van het CBR tot oplegging van het ASP dient te worden vernietigd. De Afdeling heeft evenwel anders beslist en geoordeeld dat de procedure wel met voldoende waarborgen is omkleed. Tegen die achtergrond kan de politierechter niet anders dan uit te gaan van de geldigheid van de beslissing van het CBR strekkende tot oplegging van het ASP.
Bij die stand van zaken is er dus sprake van een geldige maatregel, opgelegd na vervolging (criminal charge) welke vervolging voor geldig althans opgelegd na een eerlijk proces moet worden gehouden. Het beroep op ne bis in idem komt hiermee aan de orde.
Ne bis in idem
Het ASP heeft ten doel het beteugelen van de gevaren voor de verkeersveiligheid door de rijgeschiktheid van de betrokken bestuurder te bevorderen. Dit sluit niet uit dat de maatregel als een punitieve maatregel moet worden aangemerkt. Met een punitieve maatregel wordt immers ook speciale preventie beoogd. Het punitieve karakter volgt ook uit de omstandigheid dat de deelname aan het programma wordt ‘afgedwongen’ door het ‘voorwaardelijk deel van de beslissing tot oplegging, dat bij niet deelname het rijbewijs gedurende vijf jaar zijn geldigheid zal verliezen. De politierechter merkt op dat ook ander bekende maatregelen, zoals een oplegging van tbs of de oplegging van deelname aan bijvoorbeeld een agressietraining als oplegging van een strafmaatregelen worden aangemerkt.
In het licht van het bovenstaande, komt de politierechter tot het oordeel, dat gelet op de aard
van de overtreden norm en het doel, de aard en de zwaarte van het ASP daaraan in het algemeen en dus ook in het geval van verdachte een straffend karakter niet te ontzeggen valt. Daarmee is de maatregel gelijk te stellen met een sanctie opgelegd naar aanleiding van een tegen betrokkene ingestelde strafvervolging.
Het door de officier van justitie besproken artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, waarin het ne bis in idem-beginsel vastgelegd is niet van toepassing, omdat Nederland genoemd Protocol niet geratificeerd heeft. Het ne bis in idem beginsel is ook opgenomen in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 14, lid 7, van het IVBPR. Eerstgenoemd artikel is evenmin van toepassing, aangezien de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten gericht zijn uitsluitend wanneer zij het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengen. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. Met betrekking tot genoemde IVBPR bepaling heeft Nederland het voorbehoud gemaakt dat het deze bepaling slechts aanvaardt voor zover daar geen verplichtingen aan verbonden zijn die verder reiken dan artikel 68 Sr voorschrijft. Het uit genoemd beginsel voortvloeiende verbod van dubbele bestraffing is echter wel ingebed in het Nederlands recht. Naar het oordeel van de politierechter houdt het in artikel 68 Sr neergelegde ne bis in idem-beginsel mede in dat geen strafvervolging ingesteld mag worden tegen een persoon, aan wie ter zake van het feit waarvoor hij vervolgd zou worden reeds definitief een bestuursrechtelijke sanctie opgelegd is. In de onderhavige zaak is van dat laatste sprake, zodat de officier van justitie naar het oordeel van de politierechter niet-ontvankelijk dient te worden in zijn vervolging van verdachte.
Het ne bis in idem-beginsel brengt mee dat voor hetzelfde feitencomplex niet ten tweede male vervolgd kan worden. De werking van de regel is dan ook beperkt tot het feit waarover in de eerdere/andere instantie is beslist. Wat betreft verdachte is dat feit te kennen uit eerder genoemd besluit van het CBR van 7 maart 2013. En is in dat besluit uit gegaan van het gegeven dat bij verdachte op 22 februari 2013 een ademalcoholgehalte van 805 µg/l is geconstateerd. Nu dat overeenstemt met de feitelijkheden die in deze (straf)zaak ten laste zijn gelegd, zal hierna de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie worden uitgesproken. De politierechter merkt op dat dit oordeel anders zou zijn indien verdachte thans meer of andere feiten verweten zouden kunnen worden dan die al zijn beoordeeld in de bestuursrechtelijke instantie, zoals bijzondere recidive of overtreding van andere voorschriften dan artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De politierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van
15 mei 2014.
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1643
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671
- ABRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1604
- ABRS 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1770
Artikel 6 EVRM gebruikt in de Nederlandstalige tekst in alle leden het begrip ‘vervolging’. Er dient van uit te worden gegaan dat het eerste lid ziet op in elk geval vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen én strafvervolging. De leden 2 en 3 zien specifiek op strafvervolging waardoor de bijzonder waarborgen voorzien in die leden dienen te gelden.