Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2013-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2013:15143
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/14095
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 november 2013 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.W.M. van de Wouw),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover nu van belang, tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1.
Eiser heeft bij brief van 1 juli 2013 naar voren gebracht dat zijn gemachtigde nog geen compleet dossier had ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft het dossier in de loop van de procedure in rechte ontvangen. Eiser heeft de gronden van het beroep ter zitting aangevuld. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser daarmee voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt in beroep naar voren te brengen.
2.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij is op 21 november 2001 Nederland binnengekomen. Eiser is in 1999 gehuwd met [echtgenote], van Nederlandse nationaliteit. Uit dit huwelijk is op 8 maart 2002 een kind geboren, genaamd [kind 1], eveneens van Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Bij besluit van 26 februari 2007 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 30 december 2008 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juni 2009 is het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het opheffen van de ongewenstverklaring.Bij brief van 22 oktober 2012 heeft verweerder aan eiser een voornemen kenbaar gemaakt om de ongewenstverklaring op te heffen en om tegen eiser, op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 met toepassing van artikel 66a, zevende lid, onder c, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), een inreisverbod uit te vaardigen voor de duur van tien jaar. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het voornemen een inreisverbod uit te vaardigen. Naar aanleiding van dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend.
3.
Deze zaak gaat over de omzetting van de ongewenstverklaring van eiser in een inreisverbod voor tien jaar. Verweerder heeft een inreisverbod voor tien jaar opgelegd, met name omdat eiser onherroepelijk is veroordeeld naar aanleiding van een opiumdelict. Op grond hiervan vormt hij volgens verweerder een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Het beroep van eiser strekt tot vernietiging van het inreisverbod.
4.
Eiser voert aan dat verweerder verplicht was hem te horen voordat het inreisverbod werd opgelegd. Verweerder stelt hier tegenover dat hij eiser de gelegenheid heeft gegeven om te reageren op het voornemen een inreisverbod tegen hem uit te vaardigen. Volgens eiser was dit niet voldoende en had verweerder hem na de indiening van zijn zienswijze moeten horen.
5.
Ingevolge artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 11 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) moest verweerder eiser in de gelegenheid stellen om individuele omstandigheden aan te voeren die aanleiding kunnen vormen voor verkorting van de duur van het reisverbod. Verweerder heeft bij brief van 22 oktober 2012 aan deze verplichting voldaan. Daarbij heeft verweerder eiser echter alleen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren. Verweerder heeft verzuimd eiser te wijzen op het hem ingevolge artikel 4:9 van de Awb toekomende recht om te kiezen voor een mondelinge of een schriftelijke uiteenzetting. De rechtbank acht echter aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door dit verzuim. Eiser heeft een schriftelijke zienswijze ingediend. Daarin heeft hij voldoende kunnen reageren op de gegevens over feiten en belangen die verweerder ten grondslag wilde leggen aan het inreisverbod. Ook heeft hij daarin zelf feiten en belangen naar voren kunnen brengen. De rechtbank laat het bestreden besluit daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand.
6.
Eiser voert aan dat sinds de pleegdatum/veroordeling meer dan tien jaar is verstreken. Hij vormt geen ernstige bedreiging voor de openbare orde, omdat hij in die periode niet strafrechtelijk is veroordeeld. Eiser stelt dat hij sinds 2002 met medeweten van verweerder in Nederland heeft verbleven, terwijl verweerder niets heeft ondernomen. Gelet op het tijdsverloop had verweerder volgens eiser moeten afzien van een inreisverbod of de duur van het inreisverbod moeten beperken tot vijf jaar.
7.
Ingevolge artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, onder a, van het Vb 2000, bedraagt de maximale duur van het inreisverbod tien jaren indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid. Die bedreiging kan onder meer blijken uit een veroordeling naar aanleiding van, voor zover hier van belang, een opiumdelict. Uit een uittreksel van de Justitiële Informatiedienst van 24 februari 2007 blijkt dat eiser op 27 maart 2002 is veroordeeld tot twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens winkeldiefstal en opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet, gepleegd over een periode van 1 november 2001 tot en met 7 december 2001. Gelet op het door eiser gepleegde opiumdelict, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen aannemen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid. De enkele omstandigheid dat eiser sinds zijn veroordeling geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan, is niet voldoende voor een ander oordeel.7.1. Eiser stelt ten onrechte dat verweerder niets heeft ondernomen sinds de veroordeling in 2002. Verweerder heeft eiser op 26 februari 2007 immers ongewenst verklaard. Een ongewenstverklaring komt naar doel en strekking grotendeels met een inreisverbod overeen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY8238). Bij de ongewenstverklaring is het tijdsverloop tussen de veroordeling en de ongewenstverklaring meegewogen. Gelet op het door eiser gepleegde opiumdelict en op het feit dat eiser zonder verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven, heeft verweerder destijds geen doorslaggevende betekenis toegekend aan het tijdsverloop tot 26 februari 2007. Deze afweging is door de rechtbank in haar uitspraak van 30 december 2008 (bevestigd door de Afdeling) niet onredelijk geacht. De rechtbank gaat daar ook in deze zaak van uit. 7.2. Sinds de ongewenstverklaring was het strafbaar voor eiser om in Nederland te blijven. Toch heeft eiser Nederland niet verlaten. Het tijdsverloop tussen de ongewenstverklaring en het inreisverbod weegt niet in het voordeel van eiser mee. 7.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in wat eiser over het tijdsverloop en het ontbreken van recidive heeft aangevoerd, geen aanleiding hoeven te zien geen inreisverbod uit te vaardigen of de duur ervan te bekorten. De beroepsgrond slaagt niet.
8.
Eiser voert aan dat sprake is van medische redenen om in Nederland te verblijven, nu hij aids heeft en daarvoor wordt behandeld. Volgens eiser had verweerder een nieuw advies aan het Bureau Medische Advisering (BMA) moeten vragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de omstandigheid dat eiser aids heeft geen aanleiding vormt af te zien van het inreisverbod. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat uit een eerder ten aanzien van eiser uitgebrachte advies van het BMA van 8 februari 2008 blijkt dat eiser hiervoor ook in Suriname behandeld kan worden. Eiser heeft niet aangevoerd dat sprake zou zijn van een wijziging in zijn medische situatie of dat hij niet Suriname behandeld zou kunnen worden. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om opnieuw een advies aan het BMA te vragen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. J.Y van de Kraats en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2013.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.