Rechtspraak 1997-10-22
ECLI:NL:RBBRE:1997:AA7770
97/182 WET WOE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA Veertiende kamer Uitgesproken d.d.: 22 oktober 1997 UITSPRAAK in het geding tussen: A, echtgenote van B, geboren [...] 1954, wonende te C, eiseres, mr. A.B.M. Pessers te Tilburg, gemachtigde, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), uitvoeringsinstelling GAK, als rechtsopvolger van het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, gevestigd te Tilburg, verweerder. 1. Procesverloop: Eiseres heeft bij op 4 september 1996 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen verweerders primaire besluit van 13 augustus 1996, inhoudende een weigering tot vergoeding van wettelijke rente. Het beroepschrift is ter verdere behandeling als bezwaarschrift doorgezonden naar verweerder. Bij besluit van 3 januari 1997 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder eiseres primair niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en subsidiair het bezwaar ongegrond verklaard. Op 20 januari 1997 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is behandeld ter zitting van 11 september 1997. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.B.M. Pessers. Verweerder is verschenen bij gemachtigde P.A.A. Soer. 2. Beoordeling: Bij besluit van 2 mei 1988 heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 27 juni 1987 een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) toe te kennen. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) bij uitspraak van 15 mei 1996 het besluit van 2 mei 1988 vernietigd. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB heeft eiseres verweerder bij brief van 6 juni 1996 verzocht om vergoeding van de samengestelde wettelijke rente over het ten onrechte niet uitgekeerde bedrag aan ZW-uitkering. Bij brieven van 13 augustus 1996 heeft verweerder twee besluiten genomen. Bij een eerste besluit van die datum is besloten eiseres over de periode van 27 juni 1987 tot 25 mei 1988 alsnog een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen. Bij het tweede, thans in geding zijnde, (primaire) besluit van 13 augustus 1996 is besloten tot weigering van vergoeding van wettelijke rente, primair omdat de vordering daartoe verjaard zou zijn, subsidiair omdat wettelijke rente niet eerder dan met ingang van 6 juni 1996 verschuldigd is, nu de aanzegging van de vordering tot vergoeding van wettelijke rente eerst per die datum is gedaan. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 13 augustus 1996 primair niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond verklaard. Ter zake van de nietontvankelijkverklaring heeft verweerder overwogen dat het aan eiseres is te wijten dat haar bezwaren te laat bij verweerder zijn ingediend, doordat namens haar ten onrechte beroep is ingesteld bij deze rechtbank. Eiseres heeft in beroep haar bezwaren gehandhaafd en nader toegelicht en voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring door verweerder aangevoerd, dat onder het primaire besluit ten onrechte een bezwaarclausule is opgenomen in plaats van een beroepsclausule, alsmede dat de te late ontvangst door verweerder van het als bezwaarschrift te behandelen beroepschrift haar niet kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt het volgende. Vooropgesteld wordt dat het onderhavige geschil omtrent een zuiver schadebesluit niet valt onder de geschillen die waren uitgesloten van de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel IV, eerste lid, van de overgangswet Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), welke bepaling als uitzonderingsregel restrictief dient te worden ge´nterpreteerd. Dit betekent dat verweerder terecht een bezwaarclausule in het primaire besluit heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren. Het primaire besluit is bij brief van 13 augustus 1996 aan eiseres kenbaar gemaakt. Het hiertegen ingediende beroepschrift is op 4 september 1996 door deze rechtbank ontvangen. Bij brief van 29 oktober 1996 heeft de rechtba Voor de Hoge Raad is - bij de toepassing van een bijzondere verjaringsregeling - doorslaggevend geweest, dat de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding, gebaseerd op onrechtmatigheid van een beschikking waartegen een administratieve rechtsgang openstond, in beginsel slechts kan toewijzen indien en nadat die rechtsgang is gevolgd en daarbij is beslist dat de beschikking onrechtmatig is. Deze gedachtegang leidt de rechtbank tot voormeld oordeel. Een andere visie zou de consequentie hebben dat bij elk bezwaar c.q. beroep waarbij een schade-element kan optreden, de betrokkene ter behoud van zijn mogelijkheden schadevergoeding te verkrijgen gehouden zou zijn daartoe maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het treffen van rechtsmaatregelen c.q. door het stuiten van een verjaringstermijn. Hierbij gaat de rechtbank er van uit, dat het instellen van bezwaar c.q. beroep niet is aan te merken als een daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316, eerste lid, van het BW, waardoor de verjaring zou worden gestuit, nu het bezwaar c.q. beroep niet is gericht op het verkrijgen van schadevergoeding. Eerst onder de werking van de Awb is voor gevallen als de onderhavige de mogelijkheid van een schadeverzoek op de voet van artikel 8:73 van de Awb ontstaan en de mogelijkheid - zoals in dit geval is gevolgd - een schadebesluit aan te vragen. Deze mogelijkheden hebben tot gevolg dat vorenbedoelde overwegingen van de Hoge Raad niet meer onverkort opgaan. Voor het standpunt dat de verjaringstermijn eerst aanvangt nadat de administratiefrechtelijke rechtsgang is doorlopen, blijft evenwel pleiten dat betrokkenen dan niet worden gedwongen in een eerder stadium maatregelen te nemen ter voorkoming van verjaring. In dit geding kan zulks evenwel buiten verdere beschouwing blijven, nu hier geen sprake van kan zijn dat door vorenbedoelde mogelijkheden sinds het ontstaan daarvan inmiddels een (verjarings)termijn van vijf jaren is verstreken. Hieruit volgt dat de vordering van eiseres tot schadevergoeding ten tijde van het nemen van het primaire besluit nog niet was verjaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder voorts overwogen dat krachtens overgangsrecht artikel 1286 van het BW-oud van toepassing is, zodat wettelijke rente eerst verschuldigd kan zijn na een schriftelijke aanmaning, in dit geval (voor het eerst) bij brief van 6 juni 1996, zodat niet eerder dan met ingang van die datum wettelijke rente is verschuldigd. De rechtbank acht dit uitgangspunt juist en verwijst in dit kader naar de jurisprudentie van de CRvB (uitspraken van 28 maart 1996, JB 96/116, van 18 juni 1996, AB 1997/97 en van 28 juni 1996, Rechtspraak Sociale Verzekering 1997/15). Het betoog van eiseres dat verweerder door steeds in de diverse gevoerde procedures een afwijzend standpunt in te nemen, telkens een onrechtmatige daad heeft gepleegd, waarbij opnieuw bezien had moeten worden of vanaf de desbetreffende datum wettelijke rente had moeten worden betaald, kan niet als juist worden aanvaard. In het bijzonder biedt noch de wet noch enig ongeschreven rechtsbeginsel een aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van eiseres dat elk verzoek om uitkering een verzoek tot volledige schadevergoeding inhoudt. Evenmin kan als juist worden aanvaard het betoog van eiseres dat er voor verweerder een natuurlijke verbintenis tot schadevergoeding wegens rentederving is ontstaan, waarbij onrechtmatig is te achten dat verweerder weigert deze om te zetten in een afdwingbare, civiele verbintenis. Juist voornoemde toepasselijkheid van artikel 1286 van het BW-oud leidt tot de conclusie dat de wettelijke rente niet eerder is verschuldigd dan de datum waarop eiseres het initiatief tot aanzegging c.q. invordering hiervan heeft genomen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat eiseres eerder dan bij brief van 6 juni 1996 verweerder heeft verzocht de door haar geleden schade, bestaande in wettelijke rente, te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder