ECLI:NL:RBAMS:2026:8461
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12288694 \ KK EXPL 26-406 Vonnis in kort geding van 26 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. P.R. Hendriks, tegen 1 ACT COMMODITIES B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: ACT,2. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR MONTAUK III , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: STAK,3. SUSTAINABLE MARKET SOLUTIONS HOLDING B.V. , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: SMS, gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: ACT c.s., gemachtigde: mr. M. Jovovic. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2026, met producties; - de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie van 10 augustus 2026, met producties; - de aanvullende producties van [eiser]. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. [eiser] is verschenen met de gemachtigde, zijn partner en V. Bolt als tolk. Namens ACT c.s. zijn [naam 1] ([functie 1]), [naam 2] (jurist ACT) en [naam 3] (jurist ACT) verschenen met de gemachtigde en [naam 4] namens de gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, die in het dossier zijn gevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die eveneens in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is een vonnis gevraagd en is een datum voor het vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is op 1 februari 2018 in dienst getreden bij ACT in de functie van Junior [functie 2] voor toen een salaris van € 2.750,00 per maand. Hij was toen 23 jaar oud. Sinds 1 juni 2019 heeft hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarin onder andere een concurrentiebeding en een relatiebeding waren opgenomen, voor de functie van . 2.2. ACT is een internationale onderneming die actief is op de energie- en milieumarkten en die organisaties sinds 2009 ondersteunt bij het behalen van hun doelstellingen op het gebied van CO2-reductie en duurzaamheid. 2.3. Energieleveranciers zijn onderworpen aan wettelijke verplichtingen om gedurende vastgestelde periodes specifieke doelstellingen voor energiebesparing te behalen. Om aan deze verplichtingen te voldoen, kunnen zij ofwel rechtstreeks energie-efficiënte projecten financieren, of certificaten aankopen die door derden zijn gegenereerd. In de praktijk financieren bedrijven werkzaamheden zoals isolatie of de vervanging van verwarmingssystemen, en ontvangen zij in ruil daarvoor certificaten, die vervolgens kunnen worden verkocht en overgedragen aan kopers. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van een markt waarin certificaten worden uitgewisseld tussen verschillende deelnemers, waaronder verplichte partijen, tussenpersonen en andere marktactoren zoals private en publieke entiteiten. Dergelijke certificaten worden ook wel white certificates genoemd. 2.4. ACT is zowel actief op de primary market (op zoek gaan naar de energiebesparingsprojecten, de aanvraag voor de white certificates bij de autoriteiten doen en de certificaten vervolgens op een speciale handelsrekening bijgeschreven krijgen) als op de secondary market (het bieden van een toegangsportaal tot de markt in white certificates, het tonen van de beste biedingen en de actuele waarde van certificaten en het samenbrengen van vraag en aanbod, met name door actief (telefonisch) klantcontact). 2.5. Per 1 april 2025 is [eiser] de functie van [functie 3] gaan uitoefenen. Vanwege deze functiewijziging moest hij op 28 maart 2025 opnieuw tekenen voor een concurrentie- en relatiebeding: “Non-Compete 1.1. Both during the contract term and for a period of 12 months following its termination by either the Employe or the Employer, the Employee undertakes to refrain from any involvement, including but not limited to being employed by, en
NON-COMPETE AND NON-SOLICIT 9.1 The Participant undertakes to the Shareholders, the Foundation and to the Company (acting for itself and as agent and trustee for each of its Subsidiaries), that it will not do any of the following things whether directly or indirectly and whether alone or jointly with, or on behalf of, or as agent for, any other Person or as shareholder, partner, director, principal, consultant, officer, agent, employee or otherwise: 9.1.1 for so long as it is a Participant and for a period of twenty-four (24) months after its Relevant Leaver Date, carry on or be engaged, concerned or interested in or assist a business which competes, directly or indirectly, with a business of any member of the Group; (…) 9.1.3 for so long as it is a Participant and for a period of twenty-four (24) months after its Relevant Leaver Date, in respect of any of the products or services of a business of any Group Company either seek to obtain orders from, or do business with, or encourage another Person to obtain orders from or do business with, a Person who has been a customer of that business at any time prior to such Participant's Relevant Leaver Date; (…) 9.1.6 for so long as it is a Participant and for a period of twenty-four (24) months after its Relevant Leaver Date, seek to contract with or engage (in such a way as to affect adversely a business of any member of the Group as carried on at the date on which it first acquired Depositary Receipts or at any time prior to the Relevant Leaver Date) a Person who is a material business partner, supplier, customer, or lessor of the Group at any time prior to the Participant's Relevant Leaver Date; (…) 9.6 The Participant will forfeit to the Company for any breach of Clause 9.1 immediately, without prior notice or any judicial intervention being required, a penalty equivalent to EUR 50,000 per breach plus EUR 5,000 for each day that such breach continues, without prejudice to rights of the Foundation, the Shareholders, the Company and each member of the Group to claim the actual damages it has suffered through such breach. The foregoing does not prejudice in any way the rights of the Foundation, the Shareholders, the Company and each member of the Group to claim performance or damages or to effect other (disciplinary) measures.” 2.10. Op 13 mei 2026 heeft [eiser] ACT geïnformeerd dat hij aan het werken was aan een AI-platform dat gebruikers zou helpen hun handelsactiviteiten te automatiseren en te optimaliseren, financieringsoplossingen voor werkkapitaal zou bieden en market access zou bieden. Aangezien volgens [eiser] de market access in beperkte mate zou kunnen overlappen met de activiteiten van ACT, heeft hij ACT verzocht om zijn concurrentie- en relatiebeding met ingang van 1 juni 2026 op te heffen. 2.11. Op 15 juni 2026 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ACT en [eiser], waarin [eiser] zijn plannen verder heeft toegelicht. ACT heeft toen laten weten niet bereid te zijn het concurrentie- en relatiebeding op te heffen. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert – samengevat – primair schorsing van de tussen [eiser] en ACT overeengekomen en de in de DRSA opgenomen concurrentiebedingen en relatiebedingen met ingang van 1 augustus 2026, in die zin dat het [eiser] is toegestaan om per die datum vrij en onbelemmerd zijn AI-platform te lanceren en daarvoor werkzaam te zijn in welk kader hij onvoorwaardelijk actief mag zijn op de energie efficiency markt in Europa en om vrij en onbelemmerd contacten te onderhouden met (voormalig) relaties van ACT en/of partijen die actief zijn op de energie efficiency markt in Europa. Subsidiair vordert hij schorsing van deze bedingen met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum. Meer subsidiair vordert hij een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter in goede justitie meent te moeten treffen. Verder vordert hij veroordeling van ACT c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2
Ten aanzien van de tweede vordering voeren zij aan dat [eiser] uitstekend gepositioneerd is om ACT te beconcurreren met haar eigen commerciële informatie en contacten. Dit dreigt ACT onomkeerbare schade te berokkenen, die zij mogelijk niet geheel op [eiser] zal kunnen verhalen. De dwangsom vorderen zij omdat de contractuele boetes kennelijk niet afschrikwekkend genoeg zijn. 3.8. [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van ACT c.s., met veroordeling van ACT c.s. in de kosten van deze procedure. Hij voert aan dat zijn AI-platform alleen nog maar een plan is waar hij nog geen uitvoering aan heeft gegeven. [eiser] heeft ACT proactief benaderd en geïnformeerd over zijn plannen, juist omdat hij wilde voorkomen dat hij in strijd zou gaan handelen met de beperkende bedingen. Er bestaat geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met de bedingen. Hierdoor hebben ACT c.s. geen belang bij hun vorderingen. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie Bevoegdheid van de kantonrechter 4.1. De vordering jegens ACT betreft een zogenaamde aardvordering, aangezien dit een vordering betreffende een arbeidsovereenkomst is. Daarom is de kantonrechter bevoegd tot het geven van een voorlopige voorziening in deze zaak. De arbeidsovereenkomst en de mogelijkheid om te investeren in certificaten van aandelen via STAK staan in verband met elkaar. De certificaten konden immers alleen worden aangekocht door sommige werknemers en enkele anderen die nauw bij ACT betrokken zijn, zoals de raad van bestuur. Het betreft hier dus een vorm van werknemersparticipatie. Partijen zijn het er over eens dat het de voorkeur heeft om de zaken samen de behandelen. Tussen de vorderingen van [eiser] bestaat zodanige samenhang, dat die samenhang zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. De kantonrechter is daarom bevoegd om ook ten aanzien van de vorderingen jegens STAK en SMS te beslissen. Spoedeisendheid 4.2. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] bij deze voorziening een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter overweegt dat [eiser] wordt belemmerd in zijn grondwettelijke recht op vrije arbeidskeuze. Hij heeft nu geen inkomen en wenst dit te genereren met het platform. Uit deze stellingen volgt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst met ACT 4.3. [eiser] is meerderjarig, de arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en het concurrentie- en relatiebeding zijn schriftelijk overeengekomen. Er is daarmee op zichzelf sprake van een geldig beding in de arbeidsovereenkomst waarbij [eiser] wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. 4.4. Door een concurrentie- en/of relatiebeding wordt een werknemer die bij een bedrijf uit dienst treedt, beperkt in zijn recht op vrije arbeidskeuze. Wanneer een werknemer hierdoor onbillijk wordt benadeeld, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, kan de rechter een concurrentie- en/of relatiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen. Vooruitlopend op een bodemprocedure kan de werknemer in kort geding schorsing van een dergelijk beding vorderen. De belangen van de werknemer moeten dan worden afgewogen tegen de belangen van de werkgever. 4.5. De kantonrechter zal het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst niet schorsen en overweegt daartoe als volgt. 4.6. [eiser] heeft in beperkte mate aangegeven wat het AI-platform dat hij wil ontwikkelen behelst. Het zou gaan om een platform dat gebruikers in staat stelt om hun activiteiten rondom energie-efficiëntie vanuit één plek aan te sturen. Hiertoe worden functionaliteiten aangeboden. Wat van de overige functionaliteiten ook zij, duidelijk is in ieder geval dat zijn platform de mogelijkheid wil bieden tot het aan- en verk
De DRSA is drie jaar later aangegaan dan de arbeidsovereenkomst en maakt hiervan geen deel uit. De kantonrechter ziet dus geen reden voor analoge toepassing van artikel 7:653 BW. Dat alleen enkele werknemers en personen die nauw betrokken zijn bij ACT in aanmerking komen voor deelname aan de STAK, maakt niet dat sprake moet zijn van een ander toetsingskader. Artikel 6:248 lid 2 BW 4.12. Onderzocht moet dus worden of het beroep op het concurrentie- en relatiebeding in de DRSA naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van tal van omstandigheden. 4.13. In onderhavig geval is het relevant dat [eiser] gebonden is aan het concurrentie- en relatiebeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. Door de kantonrechter wordt aangenomen dat het concurrentie- en relatiebeding uit de DRSA op dit moment geen verderstrekkende gevolgen heeft voor [eiser]. Het beding heeft hierdoor geen gevolgen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. 4.14. De looptijd van het beding uit de DRSA kent een langere looptijd (twee jaar) dan het beding uit de arbeidsovereenkomst (een jaar). Een duur van twee jaar is lang. Dit geldt temeer als bedacht wordt dat dit beding overeen is gekomen in het kader van werknemersparticipatie en een significant langere looptijd kent dan gebruikelijk in een arbeidsverhouding. Kennis over pricing en hedgingbehoeftes veroudert snel. En binnen een jaar zullen de klanten van ACT ook al wel gewend zijn zaken te doen met de opvolger van [eiser] binnen ACT. 4.15. Toch is deze duur voorshands niet buitensporig te noemen. De kantonrechter overweegt dat een certificaathouder zoals [eiser] in beginsel een significant financieel voordeel zou kunnen behalen dat tegenover het aangaan van de beperkende bedingen staat. Deelname in de STAK was zeer gewild onder de werknemers en [eiser] was in zijn woorden forever grateful voor de mogelijkheid tot deelname. Hier tegenover stond dan wel de aanvaarding van de beperkende voorwaarden. Verder heeft nog steeds te gelden dat niet kan worden aangenomen dat [eiser], een jonge, kennelijk succesvolle handelaar, geen alternatieve werkzaamheden zou kunnen vinden, zo nodig in een andere handelsmarkt. Ook blijft nog steeds overeind dat de oprichting van een platform, dat volgens de stellingen van [eiser] slechts een kleine overlap kent met de activiteiten van ACT, voor het grootste, niet-concurrerende deel, door [eiser] nog steeds kan worden opgestart. Door [eiser] is niet, althans onvoldoende, naar voren gebracht waarom desondanks, bijvoorbeeld na een jaar, wél overgegaan dient te worden tot schorsing. Voorshands wordt dan ook geen grond gezien voor een beperking van de duur van het overeengekomen concurrentie- en relatieverbod. De proceskosten 4.16. [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ACT c.s. worden begroot op: - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.009,00 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.18. De kantonrechter komt toe aan de voorwaardelijke vorderingen in reconventie. In conventie is namelijk geoordeeld dat [eiser] spoedeisend belang heeft en voldoende belang heeft bij zijn vorderingen jegens ACT. Bovendien heeft de kantonrechter zich niet onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] ten aanzien van SMS en STAK. 4.19. De vordering om [eiser] te veroordelen tot afgifte van gegevens over zijn AI-platform op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen. Naar zeggen van [eiser] is hij niet verder in de ontwikkeling van dit platform dan ideeën in zijn hoofd en een zelf gemaakt begin met het schrijven van so