Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:83
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 25/1752 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het Huis voor Klokkenluiders, verweerder (gemachtigden: mrs. T. Gillhaus en E.W.V. Stevens). Procesverloop 1. Eiser heeft verweerder verzocht om een onderzoek in te stellen naar misstanden bij een omgevingsdienst. Bij brief van 25 februari 2025 (de brief) heeft verweerder meegedeeld geen onderzoek in te stellen. 2. Met een besluit van 10 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard. 3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 4. De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van verweerder en mevrouw [persoon] , juridisch medewerker bij verweerder. Beoordeling van de rechtbank 5. Eiser heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan. In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door partijen is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor haar oordeel. 6. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is de brief van 25 februari 2025 een besluit? 8. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft op 9 februari 2025 verweerder verzocht om een onderzoek in te stellen naar een omgevingsdienst. Volgens eiser blijkt uit een aantal lokale nieuwsbrieven dat er sprake is van problemen bij deze omgevingsdienst die onderzoek behoeven. Verweerder heeft eiser in de brief laten weten dat zij in dit geval niet bevoegd is om een onderzoek in te stellen, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als een melder in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders. 9. Het bezwaar dat eiser tegen deze brief heeft gemaakt, heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens verweerder zijn aan de brief namelijk geen rechtsgevolgen verbonden. Eiser weerspreekt het standpunt van verweerder: volgens hem zijn er wél rechtsgevolgen verbonden aan de brief. 10. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat betekent dat zo’n beslissing alleen een besluit is als deze gericht is op een rechtsgevolg. Dit is het geval als een beslissing iets verandert in de rechten en/of plichten van degene tot wie de beslissing is gericht. 11. De rechtbank oordeelt dat de mededeling in de brief dat geen onderzoek zal plaatsvinden naar een omgevingsdienst geen besluit is. De beslissing om geen onderzoek te doen is niet gericht op een rechtsgevolg. Hierdoor ontstaan geen bevoegdheden, rechten of verplichtingen voor eiser of anderen, en evenmin worden deze tenietgedaan. Het is een mededeling waaruit blijkt dat geen feitelijke handeling zal plaatsvinden. Steun voor dit oordeel volgt uit verschillende rechterlijke uitspraken. Uit deze uitspraken blijkt dat een beslissing om al dan niet een onderzoek in te stellen geen besluit is waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter openstaat, maar een mededeling waaruit blijkt dat geen feitelijke handeling zal plaatsvinden. 12. Daar komt bij dat uit de wetsgeschiedenis van de We