Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:8200
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/774246 / HA ZA 25-1400 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. D.E.A.F. Aertssen, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht DAIFUKU CO., LTD , te Osaka (Japan), gedaagde partij, hierna te noemen: Daifuku, advocaat: mr. M.V.A. Heuten. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 augustus 2025 met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, en de daarin genoemde processtukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten partijen en [bedrijf 1] 2.1. [eiser] is een beheermaatschappij die tot 31 maart 2025 de meerderheid van de aandelen hield in [bedrijf 1] B.V. (zie 2.3). Enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]). 2.2. Daifuku is een internationaal bedrijf dat actief is op het gebied van interne logistieke systemen voor diverse sectoren, waaronder luchthavens. 2.3. In 2015 is [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) opgericht door [eiser] en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]), die tevens aandeelhouders werden ([eiser] voor 80%, [bedrijf 2] voor 20%). [bedrijf 1] is een bedrijf dat zich bezighoudt met de ontwikkeling, verkoop, installatie en onderhoud van luchthavensystemen voor bagageafgifte en beveiligingsdoorgangen. 2.4. Vanaf 2016 werd de financiële situatie van [bedrijf 1] zorgwekkend(er). Als gevolg daarvan heeft kredietverstrekker Rabobank [bedrijf 1] onder haar afdeling Bijzonder beheer geplaatst. Er werd gezocht naar een nieuwe aandeelhouder die wilde investeren in [bedrijf 1]. Die investeerder werd gevonden in Daifuku. de inhoud van de SSA en de totstandkoming daarvan 2.5. Op 19 juni 2019 hebben [bedrijf 1], [eiser], [bedrijf 2] en Daifuku een (in de Engelse taal gestelde) subscription and shareholders’ agreement (hierna: SSA) gesloten. Daarin is afgesproken dat [bedrijf 1] per 1 juli 2019 300.000 nieuwe aandelen aan Daifuku uitgeeft tegen betaling van € 7,5 miljoen. Hiermee verwierf Daifuku een aandelenbelang van 80% in [bedrijf 1] en verwaterden de aandelenbelangen van [eiser] en [bedrijf 2] tot respectievelijk 15% en 5%. De door [eiser] en [bedrijf 2] gehouden aandelen werden omgezet in aandelen zonder stemrecht, waardoor Daifuku de enige aandeelhouder met stemrecht werd. 2.6. In de SSA zijn ook andere afspraken gemaakt: [bedrijf 1] en Daifuku zullen onderlinge transacties aangaan onder zakelijke voorwaarden en zich onthouden van handelingen die primair zijn gericht op waardevermindering van de aandelen van de minderheidsaandeelhouders (artikel 13.3); [eiser] zal in principe tot ten minste 1 juli 2022 aanblijven als aandeelhouder van [bedrijf 1] (artikel 16.2); Vanaf juli 2022 heeft Daifuku het recht om de aandelen van [eiser] en/of [bedrijf 2] in [bedrijf 1] te kopen (hierna: de call optie). Daifuku kan van haar call optie gebruik maken door een kennisgeving te versturen aan de aandeelhouder(s) van wie zij de aandelen wenst over te nemen. De aandeelhouders aan wie deze kennisgeving is gericht, zijn verplicht om na ontvangst ervan hun aandelen te verkopen en over te dragen aan Daifuku (artikel 17.1.1); De prijs voor de met het uitoefenen van de call optie te kopen aandelen wordt als volgt berekend: a) de gemiddelde EBITDA (afgeleid uit de gecontroleerde jaarrekeningen van de [bedrijf 1]-groep) in de drie boekjaren voorafgaand aan de ontvangst van de kennisgeving, b) vermenigvuldigd met negen, c) minus de netto-schuld of netto-kaspositie van de [bedrijf 1]-groep zoals volgend uit de geconsolideerde jaarrekeningen van de relevante periode, d) gedeeld door het aantal aandelen (artikel 17.1.2, hierna ook: de prijsbepalingsregeling); Overeenkomstig een bij de SSA ing Daarnaast maakt het de uitkoop van de andere aandeelhouders een stuk duurder als gevolg van het multiplier-effect als die uitkoop binnen drie jaar plaatsvindt. 2.11. In de notulen van de bestuursvergadering van [bedrijf 1] van 28 april 2022 staat onder openstaande acties onder andere “ Board requires formal report to determine action regarding FY21 NOW Subsidy ” en dat deze actie is goedgekeurd. 2.12. Op 11 november 2022 heeft [naam 2] het onder 2.10 genoemde rapport gemaild aan Daifuku. 2.13. Bij de jaarlijkse aandeelhoudersvergaderingen van [bedrijf 1] van 15 november 2022 en 14 november 2023 waren [eiser] en [bedrijf 2] aanwezig. Namens [bedrijf 2], in de persoon van de heer [naam 4] (hierna: [naam 4]), is geprotesteerd tegen de beslissing van [bedrijf 1] om geen NOW-subsidie aan te vragen over 2021 en 2022. de uitoefening van de call optie door Daifuku 2.14. Daifuku heeft bij brief van 4 december 2023 de call optie ten aanzien van [eiser] en [bedrijf 2] uitgeoefend. 2.15. Bij brief van 14 december 2023 heeft [bedrijf 1] aan [eiser], [bedrijf 2] en Daifuku een proefberekening van de aandelenprijs gestuurd (€ 38,83 per aandeel). De proefberekening is gebaseerd op de boekjaren van [bedrijf 1] van 2020 tot en met 2022. 2.16. Daifuku is met de onder 2.15 genoemde berekening akkoord gegaan. Bij brief van 10 januari 2024 heeft [naam 4] als financieel adviseur van [eiser] en [bedrijf 2] geprotesteerd tegen de proefberekening van [bedrijf 1] en een hogere aandelenprijs bepleit (€ 85,73 per aandeel). 2.17. In maart 2024 hebben enerzijds [eiser] en [bedrijf 2] en anderzijds Daifuku via [bedrijf 1] met elkaar gesproken over het verschil in berekening van de aandelenprijs, maar dat heeft niet geleid tot een oplossing. 2.18. Per brief van 9 april 2024 heeft Daifuku [eiser] en [bedrijf 2] € 40,69 per aandeel aangeboden. [eiser] en [bedrijf 2] hebben bij brief van 16 april 2024 bericht daar niet mee akkoord te gaan. 2.19. [eiser], [bedrijf 2] en Daifuku hebben nadien uitvoerig contact met elkaar gehad over de call optie-aandelenprijs en of zij deze kwestie moeten voorleggen aan een accountant (zoals bedoeld in artikel 17.1.3 SSA). In dat kader heeft Daifuku op 16 juli 2024 voorgesteld aan [eiser] en [bedrijf 2] om hun aandelen in [bedrijf 1] over te nemen voor € 40,69 per aandeel en dat als later op grond van een gerechtelijke uitspraak zou blijken dat Daifuku meer moet betalen, Daifuku daaraan gevolg zal geven. 2.20. Eind november 2024 heeft [bedrijf 2] het onder 2.19 genoemde voorstel van Daifuku geaccepteerd, waarna een vaststellingsovereenkomst tussen die partijen is gesloten en [bedrijf 2] haar aandelen in [bedrijf 1] heeft geleverd aan Daifuku. 2.21. In november en december 2024 heeft [eiser] [bedrijf 1] twee keer schriftelijk verzocht om informatie over activiteiten, kosten, omzet, contracten en besluitvorming van [bedrijf 1] in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in de periode van 2020 tot en met 2024. [bedrijf 1] heeft [eiser] in december 2024 en januari 2025 geantwoord. 2.22. Op 11 maart 2025 hebben [eiser] en Daifuku in een vaststellingsovereenkomst afgesproken dat Daifuku [eiser] voor haar aandelen in [bedrijf 1] € 40,69 per aandeel betaalt en dat [eiser] binnen zes maanden een procedure kan starten om (een correctie van) de call optie-aandelenprijs te bepalen. In de vaststellingsovereenkomst zijn een forumkeuze voor deze rechtbank (artikel 4.2) en een rechtskeuze voor Nederlands recht (artikel 4.1) opgenomen. Op 31 maart 2025 heeft [eiser] haar aandelen in [bedrijf 1] geleverd aan Daifuku, waarvoor Daifuku € 2.288.812,50 heeft betaald. Daifuku is sindsdien enig aandeelhouder van [bedrijf 1]. omzet en EBITDA van [bedrijf 1] over de jaren 2019 tot en met 2023 2.23. In door partijen overgelegde overzichten zijn de volgende cijfers over de omzet respectievelijk EBITDA van [bedrijf 1] vermeld over de jaren 2019 tot en met 2024 (alle bedragen maal duizend): 2019 2020 2021 2022 2023 2024 omzet € 35.230 € 18.039 € 19.036 € Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de prijsbepalingsregeling wordt toegepast. De rechtbank legt haar oordeel hierna uit. toetsingskader: artikel 6:248 lid 2 BW 4.5. Partijen zijn in de SSA een prijsbepalingsmechanisme overeengekomen voor de door Daifuku aan [eiser] te betalen prijs voor de aandelen na de uitoefening door Daifuku van de call optie. Het uitgangspunt is dat [eiser] aan die afspraak over de prijsbepaling is gebonden. 4.6. [eiser] heeft een beroep gedaan op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). 4.7. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze tot terughoudendheid nopende maatstaf brengt mee dat slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding kan zijn om dat wat partijen zijn overeengekomen buiten toepassing te laten. De drempel hiervoor is hoog. Dat iets ‘niet redelijk is’ of ‘in strijd is met de redelijkheid en billijkheid’ is niet voldoende. Het criterium is of toepassing van de prijsbepalingsregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De stelplicht en bewijslast van het bestaan van bijzondere omstandigheden die een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW kunnen rechtvaardigen, rust op [eiser]. 4.8. Bij het antwoord op de vraag of een geslaagd beroep kan worden gedaan op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW, moet onder andere worden betrokken de aard en de verdere inhoud van de SSA, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin [eiser] zich van de strekking van de call optie en de prijsbepalingsregeling bewust is geweest. [eiser] was zich bewust van de prijsbepalingsregeling 4.9. Over de in 4.8 genoemde gezichtspunten overweegt de rechtbank als volgt. De SSA is een commerciële overeenkomst die [eiser] en Daifuku als professionele partijen met bijstand van hun deskundige adviseurs zijn aangegaan. Daarnaast hebben partijen en hun adviseurs onderhandeld over de inhoud van de SSA en in het bijzonder ook over de prijsbepalingsregeling. Zo hebben partijen voorafgaand aan de SSA gesproken over zowel een call optie als put optie, maar is alleen de call optie afgesproken. Ook had Daifuku aanvankelijk voorgesteld om bij de berekeningsmethode van de aandelenprijs uit te gaan van een “ fair market value ”, maar zijn partijen daarvan afgestapt, omdat [eiser] een eenvoudigere regeling wenste (zie 2.7). Meerdere e-mails en mark-ups zijn gewisseld over de conceptversie van de SSA en de contractspartijen hebben daarover ook in persoon met elkaar gesproken. Artikel 17.1.2 is dus niet een standaardbepaling die zonder overleg is afgesproken, maar een regeling waarover uitvoerig is onderhandeld. Verder is de prijsafspraak als zodanig helder en ook is duidelijk hoe die moet worden toegepast. De strekking van dat beding is dat het uitsluitend aan Daifuku is om de call optie wel of niet in te roepen en dat Daifuku kan bepalen wanneer zij dat doet. Het moment van inroepen bepaalt welke boekjaren relevant zijn en dus welke (gemiddelde) EBITDA de basis vormt voor de berekeningsmethode voor de door Daifuku aan [eiser] te betalen aandelenprijs. Het voorgaande betekent dat [eiser] zich bewust is geweest van de strekking van de prijsbepalingsregeling en dat [eiser] zich ook ervan bewust was dat de zeggenschap over de uitkoopregeling (het al dan niet inroepen van de call optie) volledig bij Daifuku ligt. In de SSA is ten slotte, hoewel onweersproken is dat dat niet ongebruikelijk is bij dit soort transacties, geen beding opgenomen dat onder bepaalde omstandigheden voorziet in een normalisering of correctie van de EBITDA. Partijen hebben met de prijsbepalingsregeling dus gekozen voor he 4.14. Die argumenten slagen niet. De keuze van Daifuku van een voor haar gunstig moment voor het inroepen van de call optie is inherent aan de afspraak in de SSA, dat de zeggenschap over de uitoefening van de call optie bij Daifuku legt (zie 4.9). Dat Daifuku de call optie op een voor haar gunstig moment inroept, is dus all in the game . Het verschil in cashpositie van [bedrijf 1] legt onvoldoende gewicht in de schaal, omdat ook volgens de eigen berekening van [eiser] de invloed daarvan op de call optie aandelenprijs beperkt is. Daarnaast doet het verschil in de cashpositie van [bedrijf 1] er niet toe, omdat omstandigheden na het uitoefenen van de call optie niet relevant zijn. geen NOW-subsidies aangevraagd 4.15. [eiser] stelt dat ten onrechte geen NOW-subsidies over 2021 en 2022 zijn aangevraagd voor [bedrijf 1], waardoor [bedrijf 1] naar schatting € 4,2 miljoen is misgelopen. Dit heeft veel invloed gehad op de EBITDA en daarmee op de aandelenprijs. De keuze om geen NOW-subsidie aan te vragen, is volgens [eiser] toe te rekenen aan Daifuku, omdat Daifuku die keuze heeft toegelaten of aangespoord, ondanks dat Daifuku wist dat [eiser] daar niet mee akkoord was: de heer [naam 5] van Daifuku (hierna: [naam 5]) maakt onderdeel uit van het bestuur van [bedrijf 1] en Daifuku heeft (mede op die wijze) veel invloed op de gang van zaken bij [bedrijf 1] (gehad). 4.16. Het besluit om over 2021 en 2022 geen NOW-subsidie aan te vragen is genomen door het bestuur van [bedrijf 1] – in het bijzonder door [naam 3] (CEO) en [naam 2] (CFO) – en niet door Daifuku (zie 2.9 tot en met 2.12). Het bestuur van [bedrijf 1] heeft het niet in het belang van [bedrijf 1] geacht om over 2021 en 2022 NOW-subsidie aan te vragen. Bij het nemen van die beslissing hebben meerdere afwegingen een rol gespeeld, zo blijkt uit het rapport dat [naam 2] aan Daifuku heeft gestuurd (zie 2.10). Zo was niet duidelijk of [bedrijf 1] die subsidie(s) nodig had vanwege stijging van haar omzet vanaf 2021 en liep [bedrijf 1] het risico op reputatie- en integriteitsschade. Weliswaar staat in het rapport van [naam 2] ook dat het financiële voordeel van eventuele subsidie beperkt is en dat die subsidie bij een uitkoop van [eiser] en [bedrijf 2] voor 60% bij [eiser] en [bedrijf 2] terechtkomt, maar niet is komen vast te staan dat dat laatste de voornaamste reden was voor het niet aanvragen van de NOW-subsidie. Bovendien is het besluit door het bestuur van [bedrijf 1] genomen (waarin ook [eiser] was vertegenwoordigd) en kan niet worden vastgesteld dat Daifuku doorslaggevende invloed heeft uitgeoefend op het besluit over de NOW-subsidies. Het staat dus niet vast dat Daifuku iets heeft beslist waardoor de (gemiddelde) EBITDA van [bedrijf 1] lager is uitgevallen. Ook was er geen aandeelhoudersgoedkeuring vereist. 4.17. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat niet vaststaat of een aanvraag voor een NOW-subsidie over 2021 en/of 2022 ervoor zou hebben gezorgd dat de gemiddelde EBITDA van [bedrijf 1] hoger zou zijn uitgevallen, omdat niet duidelijk is of een verleende NOW-subsidie over die periode terecht zou zijn geweest (en dus al dan niet had moeten worden terugbetaald). [bedrijf 1] uitgehold? 4.18. [eiser] stelt dat Daifuku heeft bewerkstelligd dat de EBITDA en cashpositie van [bedrijf 1] over de periode 2020 tot en met 2024 zijn uitgehold en licht dat als volgt toe. Op basis van beschikbare financiële gegevens van [bedrijf 1] is gebleken dat omzet en opbrengsten van [bedrijf 1] zijn terechtgekomen bij groepsvennootschappen van Daifuku, terwijl kosten van die vennootschappen voor rekening van [bedrijf 1] zijn gekomen. Op grond van artikel 2:8 BW en artikel 13.3 SSA mocht dit alleen onder redelijke en marktconforme voorwaarden, maar dat is niet gebeurd. Het gaat om activiteiten van [bedrijf 1] in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Beveiligingsdoorgangen die een dochteronderneming van [bedrijf 1] ([bedrijf 3] B.V., hierna: [bedrijf 3]) produceerde en installeerde voor klante Maar daartegenover heeft Daifuku zakelijke redenen aangevoerd: bestellingen door Amerikaanse luchthavens lopen efficiënter en met minder risico via een Amerikaanse entiteit die aan de certificering-inkoopregels voldoet (in dit geval APUS), als de productie en service in de Verenigde Staten verloopt worden logistieke trajecten verkort en is een snelle serviceafhandeling mogelijk, en APUS kan de capaciteit opschalen en vermindert de afhankelijkheid van internationale verzending en wisselkoersen. Dit maakt dat [bedrijf 1] zakelijke redenen had, ingegeven door haar vennootschappelijke belangen, om haar activiteiten voor de Verenigde Staten anders in te richten. De rechtbank kan niet vaststellen dat [bedrijf 1] via [bedrijf 3] extra kosten heeft moeten maken. [bedrijf 1] zou de kosten voor de TSA-certificering immers hoe dan ook hebben gemaakt. Dat maakt dat [bedrijf 1] niet met terugwerkende kracht hoeft te worden gecompenseerd. De certificering is weliswaar later overgezet, maar dit was in 2024 en viel dus buiten de referentieperiode van 2020 tot en met 2022. De rechtbank volgt de stellingen die [eiser] inneemt over de activiteiten van [bedrijf 1] in het Verenigd Koninkrijk ook niet. Daifuku heeft gemotiveerd aangevoerd dat tot 2023 [bedrijf 1] steeds de hoofdaannemer is gebleven en DLL als onderaannemer fungeerde. De omzet over die periode is dus bij [bedrijf 1] gebleven. Pas vanaf 2023 is DLL gaan opereren als hoofdaannemer richting de luchthavenklanten, maar dat valt wederom buiten de referentieperiode voor de prijsbepalingsregeling. Dat de tot en met 2022 door DLL gehanteerde prijzen bij de uitbesteding van de productie door [bedrijf 1] aan onderaannemer DLL niet marktconform waren, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Ook heeft Daifuku met verwijzing naar jaarverslagen van [bedrijf 1] onderbouwd aangevoerd dat de keuze om inkopen via DLL te laten verlopen een weloverwogen strategische keuze was waarvoor zakelijke redenen bestonden. kennelijk onredelijke prijs? 4.20. [eiser] stelt dat de uitkomst van de prijsbepalingsregeling leidt tot een kennelijk onredelijk prijs, omdat de daadwerkelijke waarde van de aandelen veel hoger is dan wat zij ervoor heeft gekregen. De daadwerkelijke waarde ligt volgens [eiser] tussen € 76,14 en € 103,09 per aandeel. 4.21. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De maatstaf is niet of de prijs ‘kennelijk onredelijk’ is. Voor zover [eiser] zich beroept op (de ratio van) artikel 2:192 lid 3 BW gaat dat niet op, omdat het in het geval van [eiser] niet gaat om een gedwongen uitkoop op basis van de statuten, maar een uitkoop op basis van de door partijen gesloten SSA. Bovendien baseert [eiser] haar stelling over de onredelijkheid van de prijs op meerdere aannames die niet kloppen, zoals dat de gevolgen van de coronapandemie moeten worden genormaliseerd en dat Daifuku [bedrijf 1] heeft uitgehold. Niet is komen vast te staan dat [eiser] [bedrijf 1] heeft uitgehold. Het elimineren van de effecten van de coronapandemie is niet aan de orde. Niet alleen voorziet de prijsbepalingsregeling daar niet in, maar daarbij zou ook worden voorbijgegaan aan het feit dat die effecten zich in werkelijkheid hebben voorgedaan en dat ook Daifuku met die effecten geconfronteerd is geweest. [eiser] baseert haar stelling over wat de daadwerkelijke economische waarde van de aandelen is mede op de financiële resultaten van [bedrijf 1] in de periode na 2022, maar die periode is niet relevant. Daarnaast kan in het midden blijven wat de waarde van de aandelen zou zijn geweest als deze in het economisch verkeer zouden zijn aangeboden, omdat de afgesproken prijsbepalingsregeling uit de SSA niet voorziet in een dergelijke manier ( fair market value ) van prijsbepaling. geen wanprestatie, strijd met artikel 2:8 BW, misbruik van recht of onrechtmatige daad 4.22. [eiser] stelt dat Daifuku wanprestatie heeft gepleegd, in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW heeft gehandeld, misbruik van recht heeft gemaakt en onrecht