Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-06-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:7999
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/263310-21 Datum uitspraak: 3 juni 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende op het adres [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 mei en 3 juni 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is onder 1 – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – tenlastegelegd dat hij zich samen met anderen in de periode van 28 augustus 2021 tot en met 29 september 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van cocaïne. Onder 2 is primair aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich op 19 maart 2018 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een telefoon, hetgeen subsidiair is tenlastegelegd als verduistering in dienstbetrekking. De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde kan worden bewezen. De doorzoekingen van de opslagbox en de woning van verdachte zijn rechtmatig geweest. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 2 primair moet worden vrijgesproken. Hetgeen onder 2 subsidiair is tenlastegelegd kan wel worden bewezen. 3.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de doorzoekingen van de opslagboxen en de woning van verdachte onrechtmatig zijn geweest. De doorzoekingen voldoen namelijk niet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu bij het binnentreden van de opslagboxen geen hulpofficier van justitie aanwezig was. Al hetgeen dat is aangetroffen naar aanleiding van deze doorzoekingen moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. Hetgeen in de woning van verdachte is aangetroffen moet eveneens van het bewijs worden uitgesloten, nu de rechter-commissaris een machtiging voor de doorzoeking heeft afgegeven op basis van onvolledige informatie in de aanvraag. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wist of had moeten weten, dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor een in de Opiumwet opgenomen misdrijf. Ook kan het tenlastegelegde medeplegen niet worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die de telefoon heeft weggenomen dan wel dat hij zich deze wederrechtelijk heeft toegeëigend. 3.3. Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde De rechtbank acht niet bewezen wat onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld op welk moment, hoe en door wie de telefoon van aangeefster is weggenomen. Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat verdachte in haar woning is geweest, waarna haar telefoon was verdwenen, maar de aangifte vindt op dit punt geen verdere ondersteuning in het dossier. De verklaring van verdachte dat aangeefster de telefoon in zijn taxi is vergeten, kan daarom niet terzijde worden geschoven. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde merkt de rechtbank op dat verdachte heeft verklaard dat h Volgens het LFO betroffen het typische goederen en chemicaliën die worden aangetroffen op locaties waar, op grote schaal, cocaïne wordt bewerkt (versneden) ofwel wordt teruggewonnen (geëxtraheerd) uit een dragermateriaal. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat de jerrycans niet waren voorzien van de gebruikelijke vermelding van de leverancier en/of fabrikant. Uit de camerabeelden van [bedrijf opslagruimte] blijkt dat er drie personen zijn die gebruikmaken van de toegangscode van opslagbox [nummer 1] . Verdachte heeft deze code het meest gebruikt. Op de camerabeelden is verder te zien dat verdachte tussen 20 september 2021 en 26 september 2021 verschillende keren bij de opslagboxen is geweest. Op camerabeelden van 20 september 2021 is te zien dat verdachte met behulp van een onbekende man diverse dozen, pannen en vaten uitlaadt. Op 25 september 2021 is op de camerabeelden te zien dat verdachte goederen in en uit een Bo-rent busje tilt. Deze goederen vertonen zeer sterke gelijkenissen met een aantal van de inbeslaggenomen goederen. Op 29 september 2021 is verdachte aangehouden, nadat hij de toegangscodes van opslagboxen [nummer 2] en [nummer 3] had ingevoerd. Bij zijn aanhouding heeft verdachte geprobeerd zijn telefoon kapot te maken en is een stapel 20 eurobiljetten aangetroffen van in totaal 1.820 euro. Bewijsoverwegingen Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 20 tot en met 29 september 2021 toegang had tot alle drie de opslagboxen en daarmee de beschikkingsmacht had over de daarin aangetroffen goederen. De in de boxen aangetroffen goederen zijn in deze hoeveelheden typische goederen en chemicaliën die worden aangetroffen op locaties waar cocaïne wordt versneden of wordt teruggewonnen uit een dragermateriaal. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat verdachte bij zijn aanhouding geprobeerd heeft zijn telefoon kapot te maken, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist dat deze goederen zijn bestemd voor de productie van cocaïne. De rechtbank is verder van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: in de periode van 20 september 2021 tot en met 29 september 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het bereiden, bewerken en/of vervaardigen van cocaïne, - zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door; - meerdere opslag boxen te huren en - daar 7,8 kilogram Levamisole en 460 liter Methylethylketon en 1.420 liter Hexaan en 680 liter Ethylacetaat, bedoeld voor de productie van en/of het wassen van cocaïne, te brengen en op te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 16.550,-. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat de redelij