ECLI:NL:RBAMS:2026:7902
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-119684-26 Datum uitspraak: 5 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 juli 2026, in aanwezigheid van mr. N. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L. van Poucke, advocaat in Eindhoven. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Limburg op 15 april 2026 met kenmerk HA I 25/091 - HA60.L8.5895/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit “deelneming aan een criminele organisatie” ten onrechte is aangekruist nu de overlevering niet voor dit feit wordt verzocht, maar alleen voor de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit de mail van 16 juli 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt namelijk niet dat de overlevering ook wordt gevraagd voor deelneming aan een criminele organisatie en ook is geen strafmaximum voor dit feit genoemd in het EAB of de aanvullende informatie. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Ten aanzien van het door de officier van justitie ingenomen standpunt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank moet beoordelen of de overlevering kan worden toegestaan voor het feit(encomplex) dat in het EAB onder e) wordt omschreven. Uit die omschrijving volgt dat de overlevering van de opgeëiste persoon onder meer wordt verzocht voor deelname aan een criminele organisatie. Zo staat in de feitsomschrijving dat een organisatie die zich bezighoudt met het telen van cannabis onder leiding zou staan van de opgeëiste persoon. Uit onderdeel c) van het EAB blijkt verder dat er maximaal 10 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd voor het feit, hetgeen is bevestigd in de aanvullende informatie van 16 juli 2026, waarbij is verwezen naar de Belgische kwalificatie van de feiten “ volgens de drugswet van 24/02/1921 en het KB van 06/09/2017” . De aanwijzing van de in het feitencomplex genoemde feiten als lijstfeiten is niet relevant voor de vraag voor welk(e) feit(en) de overleverin