Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:6075
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/769866 / HA ZA 25-1098 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van 212 HOLDING B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: 212, advocaat: mr. E.J. Loor, tegen DPO ONE B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: DPO, advocaat: mr. N. Overeem. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 april 2025, met producties, - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, van 27 augustus 2025, met producties, - de conclusie van antwoord in reconventie van 22 oktober 2025, met producties, - het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 1 april 2024 hebben partijen een overeenkomst (hierna: de managementovereenkomst) gesloten, op basis waarvan 212 werkzaamheden voor DPO heeft verricht. DPO is een onderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en overige dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie en dataprivacy. In de managementovereenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen: “ (..) Artikel 1 De opdracht 1.1. Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten; Als algemeen directeur, 1. Verantwoordelijk voor de groei van het bedrijf, het identificeren van nieuwe zakelijke kansen, het opbouwen van sterke relaties met klanten en partners 2. Het creëren en uitvoeren, met het technische team, van de technische roadmap 3. Verbetering van het partnermodel 4. Uitbreiding van het netwerk van verkooppartners 5. Verbetering van de prijsstrategie Artikel 2 Uitvoering van de opdracht (..) 2.4. Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever. Opdrachtgever kan wel aanwijzingen en instructies geven omtrent het resultaat van de opdracht. Artikel 3 Duur van de overeenkomst 3.1. De opdracht vangt aan op 1 april 2024 en is voor onbepaalde tijd. Beëindiging is mogelijk door beide partijen met in achtneming van een opzegtermijn van twee (2) maanden. (..) Artikel 4 Nakoming en vervanging 4.1. Indien de Opdrachtnemer op enig moment voorziet dat hij de verplichtingen, niet tijdig of niet naar behoren kan nakomen, dan dient de Opdrachtnemer de Opdrachtgever hiervan onmiddellijk op de hoogte te stellen. In het geval dat dit voorkomt heeft opdrachtnemer geen recht op vergoedingen. (..) Artikel 6 Vergoeding, facturering en betaling 6.1. Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer € 400,- (zegge vierhonderd) per dag exclusief BTW met een maximum van € 8.000,- exclusief BTW (zegge achtduizend) per maand. 6.2. Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden aan Opdrachtgever een factuur (doen) zenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke vereisten. 6.3. Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 28 dagen na ontvangst van de factuur. (..) Artikel 7 Provisie/bonus en commissie 7.1. Indien Opdrachtnemer op de peildatum 6 (zes) maanden na tekening van deze overeenkomst een gefactureerde omzet weet te realiseren van € 150.000,-, zal Opdrachtgever Opdrachtnemer een bonus van € 15.000,- (zegge vijftienduizend) toekennen en deze na facturatie binnen 28 dagen betalen. (..) ” 2.2. Ook op 1 april 2024 hebben partijen een convertible loan agreement (hierna: de geldleningsovereenkomst) gesloten. In de geldleningsovereenkomst is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen: “(..) DPO ONE wishes to borrow from the Lender and the Lender wishes to lend to DPO ONE an amount of EUR 60.000,- (the Principal Amount ) in the form of a convertible loan (the Loan ) under the terms 3 Het geschil in conventie 3.1. 212 vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: DPO veroordeelt tot betaling van € 74.002,91 uit hoofde van de managementovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding; DPO veroordeelt tot betaling van € 63.600,00 uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf de dag van dagvaarding; DPO veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. 3.2. 212 legt het volgende aan de vorderingen ten grondslag. De managementovereenkomst Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op basis waarvan 212 werkzaamheden verrichtte voor DPO, tegen een managementvergoeding van € 400,00 per dag met een maximum van € 8.000,00 per maand. Aangezien partijen een opzegtermijn van twee maanden zijn overeengekomen en DPO de managementovereenkomst op 1 november 2024 heeft opgezegd, is de managementovereenkomst op 1 januari 2025 beëindigd. Nu DPO tot op heden enkel de factuur van mei 2024 heeft voldaan (en de werkzaamheden in april 2024 niet in rekening zijn gebracht), is zij nog betaling aan 212 verschuldigd voor de periode van juni 2024 tot en met december 2024, wat inclusief btw en de wettelijke handelsrente tot de dag van dagvaarding neerkomt op een bedrag van € 74.002,91. De geldleningsovereenkomst Daarnaast hebben partijen een geldleningsovereenkomst gesloten, op grond waarvan 212 een bedrag ter hoogte van € 60.000,00 aan DPO heeft geleend. Ten aanzien van de geldlening hebben partijen afgesproken dat de lening terstond opeisbaar zou worden op het moment dat DPO de managementovereenkomst zou beëindigen, hetgeen op 1 november 2024 is gebeurd. Omdat DPO haar terugbetalingsverplichting tot vandaag de dag niet is nagekomen, dient zij naast de lening de contractuele rente van 6% per jaar over het geleende bedrag te betalen, wat tot en met 9 april 2025 in totaal neerkomt op € 63.600,00. 3.3. DPO voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van 212, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van 212, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van 212 in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. DPO voert daartoe aan dat 212 is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst (zie eis in reconventie). Op grond van die tekortkoming heeft DPO de managementovereenkomst op 1 november 2024 ontbonden. Daarom hoeft DPO de (resterende) facturen van 212 niet te voldoen en heeft zij een schadevergoedingsvordering. DPO beroept zich op opschorting van haar verplichting tot terugbetaling uit hoofde van de geldleningsovereenkomst totdat haar schadevergoedingsvordering is betaald (artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. DPO vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat 212 ten opzichte van DPO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de managementovereenkomst en daarnaast onrechtmatig heeft gehandeld jegens DPO; II. 212 veroordeelt tot betaling van de door DPO geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III. 212 veroordeelt tot opheffing van de door haar gelegde beslagen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat 212 daarmee in gebreke blijft en 212 verbiedt opnieuw beslag te leggen in de ruimste zin; IV. 212 veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na dit vonnis. 3.6. DPO legt aan haar vorderingen ten grondslag dat 212 toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst, omdat zij niet heeft gehandeld als een goed opdrachtnemer in Dat geldt eveneens voor de werkzaamheden ten aanzien van “ het creëren en uitvoeren, met het technische team, van de technische roadmap ”. DPO heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat partijen een resultaatsverbintenis zijn overeengekomen. 4.5. Het voorgaande maakt dat 212 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de in artikel 1.1. van de managementovereenkomst neergelegde verplichting tot het verrichten van de daarin genoemde werkzaamheden een inspanningsverplichting betrof. Dat 212 de in de managementovereenkomst vervatte doelstellingen (zoals groei van het bedrijf) gedurende de beperkte duur van de managementovereenkomst (circa 6 maanden) niet heeft gerealiseerd, betekent dan ook niet dat zij daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de managementovereenkomst. Wanprestatie 4.6. Vervolgens dient de vraag zich aan of 212 zich voldoende heeft ingespannen. Zoals door DPO terecht is gesteld, is in dit kader ook van belang of 212 bij het uitvoeren van de werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW). Beoordeeld moet worden of 212 heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden kan worden verwacht. Wat in een concreet geval van de opdrachtnemer kan worden verwacht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de inhoud van de opdracht, de positie van de opdrachtnemer en de aard en de ernst van de betrokken belangen. 4.7. Ter onderbouwing van haar stelling dat 212 voormelde zorgplicht heeft geschonden, voert DPO allereerst aan dat 212 vrijwel geen werkzaamheden heeft verricht. Dit heeft zij opgemaakt uit de mailbox van [naam 1] , waarin volgens DPO slechts enkele e-mails werden aangetroffen. Deze stelling van DPO wordt echter weerlegd in de stukken. Uit de uitdraai van de agenda van [naam 1] blijkt dat hij wekelijks meerdere afspraken had. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails die door [naam 1] (zowel vanuit zijn DPO-account als een ander e-mailadres) zijn gezonden en uit de overgelegde Whatsapp-berichten dat 212 wel degelijk invulling heeft gegeven aan de opgedragen werkzaamheden. 4.8. De verdere klachten van DPO zien op de kwaliteit en het resultaat van de werkzaamheden. Zij voert daartoe aan dat vanwege het uitgebreide cv van [naam 1] met vaardigheden op het gebied van ‘strategische groei en international sales and business development’ dat 212 voorafgaand aan het sluiten van de managementovereenkomst aan DPO heeft gepresenteerd en de hoge managementvergoeding die 212 voor haar diensten ontving, er hoge eisen mochten worden gesteld aan de kwaliteit van de werkzaamheden die 212 uitvoerde. Aan die eisen heeft 212 niet voldaan, nu 212 het product niet doorgrondde en beheerste, geen leads binnenhaalde en bij het benaderen van sportfederaties enkel standaardmails naar algemene mailadressen heeft gestuurd. Daarmee heeft 212 niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen, wat een tekortkoming in de nakoming van de managementovereenkomst oplevert, aldus DPO. 212 betwist dat van enige tekortkoming sprake is, nu zij heeft gedaan wat er op grond van de managementovereenkomst van haar kon worden verwacht. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft 212 een lijst in het geding gebracht met partijen die zij in het kader van haar opdracht heeft benaderd om de dienstverlening van DPO onder de aandacht te brengen. 212 heeft e-mails aan enkele partijen van die lijst bij de stukken gevoegd. Daarbij heeft 212 nog toegelicht dat een aantal van die contacten hebben geleid tot persoonlijke meetings en tot concrete aanvragen en samenwerkingen, maar dat de interesse in de software van DPO uiteindelijk bleek tegen te vallen. Ten aanzien van de managementvergoeding heeft 212 naar voren gebracht dat de vergoeding van € 400,00 per dag gelet op haar werkervaring en achtergrond juist een gematigd tarief was. Over de e-mails aan de sportbonden heeft 212 tijdens de mondelinge b Dat volgt niet direct uit de tekst van de managementovereenkomst, nu daarin niet expliciet is vastgelegd dat 212 een bepaald aantal uur per dag aan de werkzaamheden voor DPO moest besteden. Partijen hebben in de managementovereenkomst juist het volgende opgenomen: “ Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van de opdrachtgever ”. Dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat partijen de uitvoering van de werkzaamheden niet hebben willen laten afhangen van een precies aantal arbeidsuren, maar daarin juist een grote mate van vrijheid voor de opdrachtnemer hebben beoogd. Daar komt nog bij dat uit de Whatsapp-correspondentie tussen partijen blijkt dat DPO de facturen van 212 nooit heeft betwist. Sterker nog, zij heeft steeds aangegeven de facturen te betalen. Het voorgaande maakt dat DPO haar stelling dat artikel 6.1. van de managementovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat 212 enkel recht zou hebben op een dagvergoeding van € 400,00 als 212 die dag vier tot vijf uur aan de werkzaamheden voor DPO had besteed, onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft 212 voldoende aangetoond dat zij op dagelijkse basis werkzaamheden voor DPO heeft verricht. Daarmee heeft 212, nu DPO de managementvergoeding van mei 2024 reeds heeft voldaan en de werkzaamheden in april 2024 niet in rekening zijn gebracht, nog recht op betaling van de volledige managementvergoeding (inclusief btw) voor de maanden juni 2024 t/m oktober 2024. Dit komt neer op een bedrag van € 48.400,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) vanaf 28 dagen na de factuurdatum van de verschillende facturen. 4.14. DPO heeft verder nog aangevoerd dat artikel 4.1. van de managementovereenkomst in de weg staat aan enige betaling aan 212. Volgens DPO volgt daaruit namelijk dat de opdrachtnemer geen recht heeft op enige vergoeding, als hij voorziet dat hij zijn verplichtingen niet tijdig of niet behoorlijk kon nakomen, maar daar geen melding van maakt bij de opdrachtgever. Daargelaten of sprake is van een situatie waarin 212 haar verplichtingen niet naar behoren kon nakomen (zie 4.6 t/m 4.9), kan artikel 4.1. naar het oordeel van de rechtbank ook niet op de door DPO voorgestane wijze worden begrepen. Zoals door 212 terecht is aangevoerd, ligt het niet voor de hand dat partijen met artikel 4.1. hebben beoogd iedere vermeende tekortkoming direct in de risicosfeer van 212 te brengen. Eerder lijkt dit artikel te zijn bedoeld voor een situatie waarin 212 haar verplichtingen niet tijdig of niet behoorlijk zou kunnen nakomen, bijvoorbeeld vanwege ziekte of andere verhindering. Niet is gebleken dat een dergelijke situatie zich heeft voorgedaan, zodat het beroep van DPO op artikel 4.1. niet opgaat. Onrechtmatige daad 4.15. Verder stelt DPO zich op het standpunt dat 212 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door moedwillig haar werkwijze te verhullen, door haar gewerkte uren niet in het Zoho CRM-systeem te registreren, aanwijzingen daartoe van DPO niet op te volgen, uren te declareren die niet lijken te stroken met de werkelijkheid en door zonder steunvordering een faillissementsverzoek in te dienen. Met 212 is de rechtbank van oordeel dat van onrechtmatig handelen aan de zijde van 212 geen sprake is. In dit kader wordt het volgende overwogen. 4.16. De in artikel 6:74 BW geregelde aansprakelijkheid wegens een toerekenbare tekortkoming door een schuldenaar van een op hem rustende contractuele verbintenis is een bijzondere regeling die in beginsel voorgaat op de in artikel 6:162 BW geregelde aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. Een handeling die wanprestatie oplevert kan slechts tevens als een onrechtmatige daad worden beschouwd wanneer onafhankelijk van de toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele ve