Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:5366
ECLI:NL:RBAMS:2026:5366 text/xml public 2026-06-03T09:42:46 2026-05-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-16 12004801 EA VERZ 25-1432 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Op tegenspraak Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5366 text/html public 2026-06-01T15:40:40 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:5366 Rechtbank Amsterdam , 16-04-2026 / 12004801 EA VERZ 25-1432 Arbeidsovereenkomst ontbonden op de g-grond. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Geen sprake van schending van de Wet bescherming klokkenluiders. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 12004801 \ EA VERZ 25-1432 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van VAN LANSCHOT KEMPEN N.V. , gevestigd te Amsterdam, verzoekende partij, verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken, hierna te noemen: VLK, gemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. M.M. Floors. 1 De procedure 1.1. VLK heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend. 1.2. Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend. Namens VLK zijn verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald. 2 De feiten 2.1. [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1966, is sinds 1 april 2001 in dienst bij VLK laatstelijk in de functie van [naam functie 1] . 2.2. In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst staat dat het salaris, inclusief vakantietoeslag, iedere maand wordt uitbetaald. Daarnaast bepaalt artikel 7 van de arbeidsovereenkomst dat de werknemer in aanmerking kan komen voor een jaarlijkse bonus, een en ander uitsluitend ter beoordeling van de directie. 2.3. Met ingang van 1 januari 2020 is het Total Reward Statement 2019 van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst van [verweerder] (hierna: TRS 2019). Hieruit volgt dat [verweerder] een functiecontract heeft. In de TRS 2019 staat onder meer het volgende: “ Verlofuren Functiecontract Voor medewerkers met een functiecontract wordt geen verlofsaldo geregistreerd. Dit betekent dat je een ongelimiteerd aantal verlofdagen kunt opnemen gedurende het jaar. Uiteraard kan verlof alleen opgenomen worden in goed overleg met jouw direct leidinggevende. Een eventueel huidig verlofsaldo blijft behouden en kan conform bestaande regeling voor het verkopen van verlofdagen aan het einde van elk jaar worden verkocht met een maximum van eenmaal de arbeidsduur per week. Bij uitdiensttreding zullen de resterende verlofdagen automatisch worden uitgekeerd.” 2.4. Bij VLK is het beleid Incident Management Procedure 4.2 (hierna: IMP) van toepassing. Uit de IMP volgt dat iedereen die betrokken is bij een incidentmelding verplicht is tot geheimhouding over de in dat verband verkregen informatie en dat het verboden is om de melder van een incident te benadelen. 2.5. Van 30 juni 2022 tot 1 februari 2025 was bij VLK de Regelgeving Klokkenluiden van toepassing. Vanaf 1 februari 2025 geldt de Regeling Klokkenluiden 2025. In beide regelingen is onder meer het volgende opgenomen. Mogelijke misstanden kunnen gemeld worden bij de afdeling Compliance of het Meldpunt Klokkenluiden (hierna: Meldpunt). Bij deze misstanden moet het maatschappelijk belan Naar aanleiding van de aanvullingen van [verweerder] op het verslag heeft [naam 3] op 20 september 2024 per e-mail, onder, meer het volgende aan [verweerder] geschreven: “(…) Wat betreft het voortgangsgesprek: wat ik zie is dat je een zeer uitgebreid verslag hebt gemaakt waarin je vooral moeite doet om je eigen (inhoudelijke) visie en positie toe te lichten. Dit kost onnodig veel tijd en energie die je beter kan steken in het leveren van goede output voor onze klanten en het team. (…)” 2.17. Bij e-mail van 23 september 2024 heeft [verweerder] , onder meer, als volgt gereageerd: “(…) In ons gesprek van 17 september heb ik er expliciet bij je op aangedrongen om een duidelijk en volledig gespreksverslag op te stellen. (…) Onthutsend gegeven het bovenstaande was het dan ook voor mij om onderstaande mail van 17 september te mogen ontvangen met jouw verslag van het gesprek die dag. Op basis van vooral steekwoorden en losse zinnen heb je jouw aantekeningen gedeeld, wat dan in jouw optiek het verslag en een goede en volledige weergave moest zijn van het gesprek en de context. Onvoldoende wat mij betreft. Al met al een onsamenhangend geheel, waarin mijn mening ook niet altijd even goed verwoord is. (…) Uiterst onzorgvuldig dus van je en dat in zo’n delicaat traject waar we mee bezig zijn! Omdat je hiermee onvoldoende invulling hebt gegeven aan je verantwoordelijkheid was er voor mij geen andere keuze dan maar zelf een gespreksverslag op te stellen. Inderdaad jammer van de tijd en energie die er in is gaan zitten, maar dat kon dus niet anders. (…) Het past niet om mij verwijten te maken als je zelf zo in gebreke blijft, ook naar gedrag. Ik heb je eerder hier al op aangesproken en gewezen op onze gedragscode. Je gaf toen aan die niet echt te kennen. Dat is natuurlijk erg opmerkelijk. Bijgaand heb ik deze daarom voor je bijgesloten, zoals gepubliceerd op intranet. Hierin kun je nalezen aan welke gedragsregels elke VLK-werknemer, inclusief jij, gewoon moet voldoen. (…)” 2.18. Bij e-mail van 26 september 2024 heeft [naam 3] onder meer gereageerd dat zorgvuldige verslaglegging zeker belangrijk is, maar dit niet betekent dat het verslag lang hoeft te zijn. De insteek van de verslaglegging is een compacte en concrete uitwisseling. Verder herkende [naam 3] zich niet in alle punten die [verweerder] noemt. 2.19. Bij e-mail van 30 september 2024 heeft [verweerder] aan [naam 3] , onder meer, het volgende geschreven: “(…) - Ik had je wederom verzocht om in mijn verslag jouw opinie en conclusies aan te vullen (die ik overigens overgenomen had vanuit jouw eerdere verslag). (…) In jouw reactie ga je daar wederom niet op in; (…) Ik span me in in het kader van dit verbetertraject, maar bovenstaande constateringen belemmeren mij echter in het goed kunnen uitvoeren hiervan. Dat benadeelt mij. Blijkbaar hanteer jij andere standaarden ten aanzien van zorgvuldigheid en gedrag in dit traject dan die ik hanteer. (…)” 2.20. Bij e-mail van 1 oktober 2024 heeft [naam 3] aan [verweerder] het verbeterplan met de aanvullingen van [naam 1] gestuurd. Vervolgens is het verbeterplan nog twee keer aangepast. 2.21. In het verslag van [naam 3] van het voortgangsgesprek van 8 oktober 2024 is onder meer opgenomen dat [naam 3] heeft aangegeven graag met een positieve toon samen te werken en invulling te geven aan het verbeterplan zonder (onnodige) verwijten te maken. 2.22. Op op 22 oktober 2024 heeft [verweerder] het verbeterplan voor akkoord ondertekend. In het verbeterplan is een looptijd opgenomen van 1 oktober 2024 tot eind maart 2025. 2.23. Tijdens het voortgangsgesprek van 19 november 2024 heeft [naam 3] aan [verweerder] laten weten dat hij de bepaalde klant in een specifieke cliëntpresentatie onvoldoende heeft gewaarschuwd voor bepaalde risico’s. Deze waren volgens [naam 3] enorm verwaterd en moesten volgens [naam 3] prominenter in het advies komen. [verweerder] was het daarmee niet eens. 2.24. Bij e-mail van 26 november 2024 heeft [verweerder] , onder meer, als volgt g Op 28 januari 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. 2.34. Op 6 maart 2025 en 3 april heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan over het re-integratiedoel. In haar advies van 7 april 2025 stelt zij dat terugkeer in het eigen werk medisch gezien mogelijk is, maar adviseert zij om hierover, gezien de ontstane arbeidssituatie, gezamenlijk tot afstemming te komen. 2.35. Vervolgens hebben partijen tot november 2025 een mediationtraject doorlopen, maar dit is zonder resultaat geëindigd. Na pogingen om tot een minnelijke regeling te komen heeft VLK op 5 december 2025 het hier voorliggende verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 2.36. Op 5 december 2025 heeft [verweerder] een klokkenluidersmelding gedaan bij het Meldpunt. Op 7 januari 2026 heeft [verweerder] zijn klokkenluidersmelding aangevuld. 2.37. Op 14 januari 2025 heeft [verweerder] zich beter gemeld. Vervolgens heeft VLK hem vrijgesteld van werkzaamheden. 2.38. Op 11 maart 2026 heeft het Meldpunt aan [verweerder] meegedeeld dat zijn klokkenluidersmelding niet kwalificeert als een klokkenluidersmelding omdat het een arbeidsrechtelijke situatie betreft. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. VLK verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege disfunctioneren dan wel een verstoorde arbeidsverhouding dan wel de cumulatiegrond. 3.2. [verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek van VLK, maar verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege de cumulatiegrond. 3.3. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [verweerder] samengevat, en uitvoerbaar bij voorraad: voor recht te verklaren dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor VLK geldende opzegtermijn en de proceduretijd niet in mindering te brengen, VLK te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, VLK te veroordelen tot een aanvullende vergoeding als de arbeidsovereenkomst vanwege de cumulatiegrond wordt ontbonden, aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, VLK te veroordelen tot betaling van de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen, VLK te veroordelen tot de door [verweerder] gemaakte kosten voor rechtsbijstand voorafgaand aan de onderhavige procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.4. Verder verzoekt [verweerder] samengevat: voor recht te verklaren dat VLK niet rechtsgeldig een all-in loon aan [verweerder] heeft betaald en dus niet de vakantietoeslag en de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen heeft betaald en betaalt, VLK te veroordelen tot betaling van de achterstallig vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, VLK te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, VLK te veroordelen tot betaling van de proceskosten, VLK te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle bedragen die VLK op grond van deze beschikking moet betalen. 3.5. Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan. 4 De beoordeling van het verzoek 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag op welke redelijke grond in de zin van artikel 7:669 BW de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en of VLK zich tegenover ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Opzegverbod 4.2. [verweerder] heeft zich op 28 januari 2025 ziekgemeld en zich op 14 januari 2026 beter gemeld. Het opzegverbod uit artikel 7:670 lid 1 BW is daarom van toepassing. Dit opzegverbod staat echter op grond van artikel 7:671b lid 6 BW de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in de weg. Het verzoek tot ontbinding houdt immers geen verband met de ziekte van [verweerder] . Ontbinding 4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogel Dat geldt met name voor de punten die zien op zijn houding en gedrag waar [verweerder] al eerder op was aangesproken en dat ook terugkomt in de feedback van collega’s. VLK heeft daarbij toegelicht dat de collega’s die hun zorgen aan haar kenbaar maakten, tevens degenen zijn die de feedback aan [verweerder] hebben gegeven. Dit is door [verweerder] niet weersproken. Het is gelet op het voorgaande niet zo dat VLK geen enkele aanleiding had om [verweerder] aan te spreken op zijn functioneren. Bovendien is, anders dan [verweerder] stelt, niet direct een verbeterplan opgesteld. Er zaten vier maanden tussen het eerste gesprek op 9 april 2024 en het besluit om een verbetertraject te starten. In die maanden hebben er meerdere gesprekken plaats gevonden tussen [verweerder] en zijn leidinggevende(n). 4.8. [verweerder] voert verder aan dat hem geen serieuze gelegenheid is geboden om zijn functioneren te verbeteren. Een van zijn argumenten is dat eerst de verstoorde relatie met [naam 3] hersteld had moeten worden voordat het verbetertraject kon starten. Dat de relatie met [naam 3] al verstoord was heeft [verweerder] echter onvoldoende onderbouwd. Het feit dat [verweerder] door [naam 3] van het pitchteam voor een groot acquisitieproject werd gehaald kan hij ervaren hebben als onterecht, maar VLK heeft op inzichtelijke wijze toegelicht dat de pitch door het sterkste team moest worden gedaan en dat [verweerder] daarvoor niet de meest geschikte persoon was. Uit het dossier blijkt verder niet dat er voorafgaand aan het verbetertraject een zodanige verstoring in de relatie tussen [verweerder] en [naam 3] was dat dit een belemmering vormde voor het starten van het verbetertraject. Verder staat vast dat VLK gedurende meerdere maanden actief met [verweerder] in gesprek is geweest tijdens het verbetertraject. In die periode verliep de relatie tussen [verweerder] en [naam 3] weliswaar stroef, maar [naam 1] heeft beide heren actief gemotiveerd om positief in het proces te staan en [naam 3] heeft dit ook uitgedragen. Uit de gespreksverslagen blijkt ook dat [verweerder] wel degelijk de mogelijkheid is geboden zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] stelt dat tijdens het verbetertraject zijn positieve punten werden weggelaten en dat er eenzijdige verslagen werden opgesteld. Uit de overgelegde gespreksverslagen blijkt echter dat ook positieve aspecten zijn benoemd en dat [verweerder] juist veel inspraak heeft gehad bij het opstellen van deze verslagen. Dat [naam 3] de gesprekken niet zo uitgebreid heeft vastgelegd als [verweerder] had gewenst, weerspiegelt vooral een verschil in stijl en betekent niet dat de verslagen onjuist of onzorgvuldig zijn opgesteld. Verder heeft VLK veel geduld getoond bij het overeenkomen van het verbeterplan. Dit plan is op verzoek van [verweerder] meerdere keren aangepast en het heeft geruime tijd geduurd voordat [verweerder] het plan voor akkoord heeft ondertekend. Gezien deze omstandigheden had [verweerder] op enig moment moeten inzien dat hij niet het laatste woord had over de uitvoering van het verbetertraject. Van ernstig verwijtbaar handelen is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. 4.9. Ook de situatie die in december 2024 is ontstaan, is niet aan VLK ernstig te verwijten. [verweerder] stelt dat hij tijdens het verbetertraject voldoende vooruitgang boekte, maar dat VLK het traject plotseling heeft beëindigd omdat er geen vertrouwen meer was. Uit de stukken blijkt echter voldoende dat VLK [verweerder] meerdere keren heeft aangesproken op zijn houding. De wijze waarop [verweerder] met zijn leidinggevende correspondeerde, hoefde VLK niet te accepteren. Hij las zijn leidinggevende de les, terwijl juist van hem werd verwacht dat hij zijn functioneren verbeterde. [verweerder] had moeten beseffen dat het geduld van VLK op een gegeven moment zou opraken. 4.10. Voorts stelt [verweerder] dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat zij hem in strijd met de Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk) Deze procedure heeft geduurd van 5 december 2025 tot de datum van deze beschikking (16 april 2026). De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden met ingang van 1 juni 2026. Tegenverzoeken [verweerder] Verklaring voor recht 4.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt de verzochte verklaring voor recht dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld afgewezen. Salaris is inclusief vakantietoeslag maar exclusief vakantiedagenloon 4.17. [verweerder] meent dat hij nog aanspraak heeft op vakantietoeslag en op uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. 4.18. Tussen partijen is in geschil of zij een all-in loon zijn overeengekomen. VLK stelt dat partijen een all-in loon van € 12.420,97 bruto zijn overeengekomen inclusief vakantietoeslag en vakantiedagenloon. [verweerder] betwist dat partijen een all-in loon zijn overeengekomen. Daartoe voert hij het volgende aan. De in de arbeidsovereenkomst gemaakte afspraak dat het salaris inclusief vakantietoeslag is, is met de TRS 2019 vervangen. Daarnaast zijn partijen niet schriftelijk overeengekomen dat VLK aan [verweerder] een loon inclusief het vakantiedagenloon betaalt. Bovendien heeft VLK niet op een duidelijke en transparante manier aangegeven welk deel van het door VLK maandelijks betaalde all-in loon betrekking heeft op het loon zelf, welk deel op de vakantietoeslag en welk deel op de loonbetaling tijdens vakantiedagen. 4.19. Vooropgesteld wordt dat [verweerder] gelet op de gemotiveerde betwisting van VLK onvoldoende heeft onderbouwd dat de afspraken in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot het salaris zijn vervangen door de TRS 2019. De kantonrechter stelt dan ook vast dat partijen een salaris inclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. Anders dan [verweerder] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat partijen rechtsgeldig een salaris inclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. Artikel 17 lid 2 Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag (WMM) geeft de mogelijkheid om bij schriftelijke overeenkomst het vakantietoeslag op een ander tijdstip dan jaarlijks in de maand juni uit te betalen. In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst is dat gebeurd. Dat is dus een rechtsgeldige afwijking. De door [verweerder] gevorderde vakantietoeslag wordt daarom afgewezen. 4.20. Volgens VLK is ook het vakantiedagenloon inbegrepen bij het salaris, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd waaruit dit blijkt. Er is niets overgelegd waaruit volgt dat dit is afgesproken. De kantonrechter neemt daarom als uitgangspunt dat partijen een salaris van € 12.420,97 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, maar exclusief vakantiedagenloon zijn overeengekomen. Geen vergoeding vakantiedagen 4.21. [verweerder] vordert betaling van de loonwaarde van de door hem opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen en voert daartoe aan dat VLK dit bedrag niet heeft betaald of betaalt. Volgens [verweerder] bouwt hij 27 dagen vakantie per jaar op en heeft hij vanaf datum indiensttreding gemiddeld 6,2 vakantiedagen per jaar niet genoten. De kantonrechter volgt [verweerder] daarin niet. 4.22. De artikelen 7:639 en 7:640 BW regelen de aanspraken van een werknemer op vakantie met behoud van loon. Dit is dwingend recht dat moet worden uitgelegd volgens de Europese Richtlijn 2003/88/EG. Het Europese Hof van Justitie heeft bij herhaling beslist dat uit het recht op doorbetaling van loon van artikel 7 van de Richtlijn voor de werkgever de verplichting voortvloeit om de werknemer in staat te stellen vakantie daadwerkelijk op te nemen. 4.23. Zowel [verweerder] als VLK zijn het erover eens dat de TRS 2019 van toepassing is op de arbeidsovereenkomst en dat [verweerder] een functiecontract heeft waarbij geen verlofsaldo wordt geregistreerd. Hoewel [verweerder] ook verwijst naar artikelen in de Arbeidsvoorwaarden Van Lanschot Kempen – januari 2026 (hierna: de AVLK) waarin staat dat een werknemer 27 vakantiedagen per jaar opbouwt, stelt hij zelf dat hij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met de AVLK. Bovendien volgt uit de