Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:4817
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 text/xml public 2026-05-20T14:56:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/120944-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 text/html public 2026-05-20T14:55:56 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/120944-21 Verdenking medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne. Veroordeling medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Gevangenisstraf 4 (vier) maanden. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/120944-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Kuipers, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne te Amsterdam in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de pleegperiode moet worden verkort tot de periode van 26 november 2021 tot en met 13 december 2021, aangezien verdachte pas op die datum voor het eerst in beeld komt in het onderzoek. De verklaringen van de getuigen die de eerdere betrokkenheid van verdachte bevestigen zijn inconsistent, onbetrouwbaar, of geven onvoldoende aan wanneer verdachte verdovende middelen zou hebben verkocht. Zij bieden dus onvoldoende houvast om de tenlastegelegde pleegperiode bewezen te kunnen verklaren. Volgens de raadsman is er ook geen sprake van medeplegen, gezien de zeer beperkte mate waarin verdachte in het dossier voorkomt. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. Het onderzoek naar verdachten start met een melding over een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] waarmee een bericht wordt gestuurd aan personen van wie bekend is dat zij veelvuldig drugs gebruiken. De tekst van dit bericht luidt: “ben actief 24/7 gr. [bijnaam verdachte] ” . De naam [bijnaam verdachte] wordt vervolgens in verband gebracht met verdachte en zijn vader (en medeverdachte) [medeverdachte 1] . In mei 2021 wordt een machtiging afgegeven voor een telefoontap op het nummer [telefoonnummer 1] . Dan blijkt dat het nummer niet meer in gebruik is. Via een analyse van telefoonnummers die vaak contact hadden met [telefoonnummer 1] , komt de politie uit bij een nieuwe (opvolgende) deallijn waarvan het telefoonnummer eindigt op [telefoonnummer 2] . Uit onderzoek van de historische contactgegevens van de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] over de voorafgaande periode van 6 maanden, blijkt dat beide telefoonnummers contact hebben gehad met 164 overeenkomstige telefoonnummers . Uit een telefoontap van het nummer [telefoonnummer 2] blijkt vervolgens dat dit (ook) een deallijn is. Op 19 september 2021 wordt op die deallijn een gesprek waargenomen waar de gebruiker van het nummer door middel van stemherkenning wordt herkend als medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) . [medeverdachte 2] maakt in dat gesprek een afspraak met een koper over de verkoop van “vijftig”. Vervolgens wordt op de afgesproken tijd en locatie een transactie waargenomen, waarbij [medeverdachte 2] wordt herkend op camerabeelden . Ook op 23 september 2021 wordt door de politie een gesprek waargenomen op het nummer [telefoonnummer 2] , waarbij [medeverdachte 2] contact heeft met een afnemer over een bestelling die onderweg is. [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek dat een derde persoon onderweg is en nu bij een tankstation is. Op hetzelfde tijdstip wordt verdachte op camerabeelden met zijn auto herkend bij een tankstation, kennelijk onderweg om de bestelling af te leveren . Nadien zet het onderzoek zich voort en worden - ook via nog een derde deallijn met een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] - diverse drugstransacties waargenomen die aan verdachte en zijn medeverdachten te relateren zijn . 3.3.2 Medeplegen drugshandel De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in verdovende middelen in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij gedeald heeft, zij het dat dit maar 7 á 8 keer is gebeurd . Zijn raadsman heeft daaraan toegevoegd dat het verdachte op 26 november 2021 voor het eerst in beeld komt in het onderzoek en er geen bewijs is voor eerdere betrokkenheid van verdachte bij drugshandel. De rechtbank concludeert dat verdachte op 23 september 2021 voor het eerst feitelijk in beeld komt in het onderzoek op het moment dat hij wordt herkend bij het tankstation in de situatie zoals hiervoor omschreven. Vóór die datum zijn er wel aanwijzingen dat verdachte zich bezig hield met drugshandel via de onderzochte deallijnen, maar deze aanwijzingen zijn rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende herleidbaar naar verdachte om een bewezenverklaring te kunnen dragen. Zo lijkt de tekst “ben actief 24/7” gevolgd door de naam “ [bijnaam verdachte] ” naar verdachte te wijzen, maar het enkel gebruik van deze naam is onvoldoende om een daadwerkelijke koppeling te kunnen maken met verdachte. Ook de verklaringen van enkele getuigen dat zij al langere tijd - ook vóór september 2021 - drugs kochten bij verdachte, leiden niet tot een bewezenverklaring van de periode zoals tenlastegelegd. De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen, specifiek ten aanzien van de pleegperiode, daarvoor onvoldoende betrouwbaar. Deze verklaringen zijn immers afkomstig van personen die, naar het zich laat aanzien, al langere tijd harddrugs gebruikten. Zij verklaren dat zij hun drugs hebben afgenomen bij meerdere verkopers, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Onder die omstandigheden bestaat het risico op verwarring en daarmee op een onzuivere en minder betrouwbare waarneming, zeker waar het gaat om de periode waarover zij – al terugkijkend - verklaren drugs te hebben afgenomen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 text/xml public 2026-05-20T14:56:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/120944-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 text/html public 2026-05-20T14:55:56 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4817 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/120944-21 Verdenking medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne. Veroordeling medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Gevangenisstraf 4 (vier) maanden. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/120944-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Kuipers, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne te Amsterdam in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de pleegperiode moet worden verkort tot de periode van 26 november 2021 tot en met 13 december 2021, aangezien verdachte pas op die datum voor het eerst in beeld komt in het onderzoek. De verklaringen van de getuigen die de eerdere betrokkenheid van verdachte bevestigen zijn inconsistent, onbetrouwbaar, of geven onvoldoende aan wanneer verdachte verdovende middelen zou hebben verkocht. Zij bieden dus onvoldoende houvast om de tenlastegelegde pleegperiode bewezen te kunnen verklaren. Volgens de raadsman is er ook geen sprake van medeplegen, gezien de zeer beperkte mate waarin verdachte in het dossier voorkomt. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. Het onderzoek naar verdachten start met een melding over een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] waarmee een bericht wordt gestuurd aan personen van wie bekend is dat zij veelvuldig drugs gebruiken. De tekst van dit bericht luidt: “ben actief 24/7 gr. [bijnaam verdachte] ” . De naam [bijnaam verdachte] wordt vervolgens in verband gebracht met verdachte en zijn vader (en medeverdachte) [medeverdachte 1] . In mei 2021 wordt een machtiging afgegeven voor een telefoontap op het nummer [telefoonnummer 1] . Dan blijkt dat het nummer niet meer in gebruik is. Via een analyse van telefoonnummers die vaak contact hadden met [telefoonnummer 1] , komt de politie uit bij een nieuwe (opvolgende) deallijn waarvan het telefoonnummer eindigt op [telefoonnummer 2] . Uit onderzoek van de historische contactgegevens van de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] over de voorafgaande periode van 6 maanden, blijkt dat beide telefoonnummers contact hebben gehad met 164 overeenkomstige telefoonnummers . Uit een telefoontap van het nummer [telefoonnummer 2] blijkt vervolgens dat dit (ook) een deallijn is. Op 19 september 2021 wordt op die deallijn een gesprek waargenomen waar de gebruiker van het nummer door middel van stemherkenning wordt herkend als medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) . [medeverdachte 2] maakt in dat gesprek een afspraak met een koper over de verkoop van “vijftig”. Vervolgens wordt op de afgesproken tijd en locatie een transactie waargenomen, waarbij [medeverdachte 2] wordt herkend op camerabeelden . Ook op 23 september 2021 wordt door de politie een gesprek waargenomen op het nummer [telefoonnummer 2] , waarbij [medeverdachte 2] contact heeft met een afnemer over een bestelling die onderweg is. [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek dat een derde persoon onderweg is en nu bij een tankstation is. Op hetzelfde tijdstip wordt verdachte op camerabeelden met zijn auto herkend bij een tankstation, kennelijk onderweg om de bestelling af te leveren . Nadien zet het onderzoek zich voort en worden - ook via nog een derde deallijn met een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] - diverse drugstransacties waargenomen die aan verdachte en zijn medeverdachten te relateren zijn . 3.3.2 Medeplegen drugshandel De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in verdovende middelen in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij gedeald heeft, zij het dat dit maar 7 á 8 keer is gebeurd . Zijn raadsman heeft daaraan toegevoegd dat het verdachte op 26 november 2021 voor het eerst in beeld komt in het onderzoek en er geen bewijs is voor eerdere betrokkenheid van verdachte bij drugshandel. De rechtbank concludeert dat verdachte op 23 september 2021 voor het eerst feitelijk in beeld komt in het onderzoek op het moment dat hij wordt herkend bij het tankstation in de situatie zoals hiervoor omschreven. Vóór die datum zijn er wel aanwijzingen dat verdachte zich bezig hield met drugshandel via de onderzochte deallijnen, maar deze aanwijzingen zijn rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende herleidbaar naar verdachte om een bewezenverklaring te kunnen dragen. Zo lijkt de tekst “ben actief 24/7” gevolgd door de naam “ [bijnaam verdachte] ” naar verdachte te wijzen, maar het enkel gebruik van deze naam is onvoldoende om een daadwerkelijke koppeling te kunnen maken met verdachte. Ook de verklaringen van enkele getuigen dat zij al langere tijd - ook vóór september 2021 - drugs kochten bij verdachte, leiden niet tot een bewezenverklaring van de periode zoals tenlastegelegd. De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen, specifiek ten aanzien van de pleegperiode, daarvoor onvoldoende betrouwbaar. Deze verklaringen zijn immers afkomstig van personen die, naar het zich laat aanzien, al langere tijd harddrugs gebruikten. Zij verklaren dat zij hun drugs hebben afgenomen bij meerdere verkopers, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Onder die omstandigheden bestaat het risico op verwarring en daarmee op een onzuivere en minder betrouwbare waarneming, zeker waar het gaat om de periode waarover zij – al terugkijkend - verklaren drugs te hebben afgenomen.
Volledig
Bovendien neemt de rechtbank in haar overweging mee dat de verklaringen van de meeste getuigen niet getoetst konden worden bij de rechter-commissaris, aangezien deze getuigen zich daar op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Getuige [getuige 1] heeft wel verklaard bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert echter dat haar verklaring niet (geheel) consistent is en om die reden minder betrouwbaar is. Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van medeplegen als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval sprake van is. Uit het dossier blijkt dat beide verdachten in verschillende periodes gebruik maakten van dezelfde (deal)telefoonnummers bij het 24/7 dealen van drugs en dat zij onderling afspraken maakten over de verkoop en levering van drugs. De rechtbank is van oordeel dat die samenwerking niet anders dan als nauw en bewust kan worden gekwalificeerd. Illustratief daarvoor is de hiervoor beschreven deal op 23 september 2021 waar medeverdachte [medeverdachte 2] het contact met de afnemer had en verdachte de drugs (kennelijk) afleverde. Voorts herkennen meerdere getuigen zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] als verkoper achter de verschillende deallijnen. Zo verklaart getuige de [getuige 2] (zelf ook aangeduid als verdachte van bezit van harddrugs) dat als hij ’s ochtends belde, medeverdachte [medeverdachte 2] de drugs kwam afleveren en als hij na enen belde, verdachte kwam . Gezien het vastgestelde medeplegen en het feit dat medeverdachte [medeverdachte 2] op 19 september 2021 voor het eerst concreet in beeld komt in het onderzoek, acht de rechtbank ten aanzien van de pleegperiode de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 bewezen. Gezien de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van zowel heroïne als cocaïne en het ‘koken’ daarvan. Weliswaar kan op basis van het dossier niet de conclusie worden getrokken dat verdachte daadwerkelijk zelf heeft ‘gekookt’, maar gezien het feit dat het uitkoken van cocaïne onderdeel uitmaakte van het ‘businessmodel’ komt de rechtbank ook op dat punt tot een bewezenverklaring. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van de feiten Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke (medische) omstandigheden van verdachte. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich, in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan het handelen in en koken van cocaïne en heroïne. Dit is een ernstig feit. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Daarbij heeft de handel in harddrugs een aanzuigende werking van andere soorten criminaliteit welke een negatieve invloed hebben op de samenleving. Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat deze nadelige gevolgen in stand werden gehouden. Voorts rekent de rechtbank verdachte de specifieke handelswijze bij het plegen van de feiten aan. Het verkopen van verslavende harddrugs aan kwetsbare – verslaafde – personen is op zichzelf al zeer kwalijk, maar uit de verklaringen van gebruikers is gebleken dat als zij langere tijd niet kochten, de gebruikers actief werden benaderd en hen zelfs eenmalig gratis drugs werd aangeboden. Op deze manier werden deze kwetsbare personen onderhouden in hun verslaving. Bij de beoordeling van de ernst van de feiten houdt de rechtbank overigens in het voordeel van verdachte rekening met zijn licht verstandelijke beperking, als gevolg waarvan verdachte zich mogelijk heeft laten meeslepen en beïnvloeden. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte een minder zware rol in het geheel lijkt te hebben gehad dan zijn medeverdachte(n). Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr aan de orde is. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 24 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden en heeft meegewerkt aan zijn behandeling. De reclassering adviseert, in het geval van een strafoplegging, geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn 5 juni 2023 is, gelet op de ingediende onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank gaat echter uit van de datum dat verdachte in verzekering is gesteld en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 december 2021. De behandeling had dus uiterlijk 14 december 2023 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 7 april 2026. Dit is dan ook een forse overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hiervoor een duidelijke, aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank zal deze omstandigheid dan ook in strafverminderende zin meewegen in haar straftoemeting. Straf De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 9 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Volledig
Bovendien neemt de rechtbank in haar overweging mee dat de verklaringen van de meeste getuigen niet getoetst konden worden bij de rechter-commissaris, aangezien deze getuigen zich daar op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Getuige [getuige 1] heeft wel verklaard bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert echter dat haar verklaring niet (geheel) consistent is en om die reden minder betrouwbaar is. Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van medeplegen als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval sprake van is. Uit het dossier blijkt dat beide verdachten in verschillende periodes gebruik maakten van dezelfde (deal)telefoonnummers bij het 24/7 dealen van drugs en dat zij onderling afspraken maakten over de verkoop en levering van drugs. De rechtbank is van oordeel dat die samenwerking niet anders dan als nauw en bewust kan worden gekwalificeerd. Illustratief daarvoor is de hiervoor beschreven deal op 23 september 2021 waar medeverdachte [medeverdachte 2] het contact met de afnemer had en verdachte de drugs (kennelijk) afleverde. Voorts herkennen meerdere getuigen zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] als verkoper achter de verschillende deallijnen. Zo verklaart getuige de [getuige 2] (zelf ook aangeduid als verdachte van bezit van harddrugs) dat als hij ’s ochtends belde, medeverdachte [medeverdachte 2] de drugs kwam afleveren en als hij na enen belde, verdachte kwam . Gezien het vastgestelde medeplegen en het feit dat medeverdachte [medeverdachte 2] op 19 september 2021 voor het eerst concreet in beeld komt in het onderzoek, acht de rechtbank ten aanzien van de pleegperiode de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 bewezen. Gezien de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van zowel heroïne als cocaïne en het ‘koken’ daarvan. Weliswaar kan op basis van het dossier niet de conclusie worden getrokken dat verdachte daadwerkelijk zelf heeft ‘gekookt’, maar gezien het feit dat het uitkoken van cocaïne onderdeel uitmaakte van het ‘businessmodel’ komt de rechtbank ook op dat punt tot een bewezenverklaring. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van de feiten Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke (medische) omstandigheden van verdachte. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich, in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan het handelen in en koken van cocaïne en heroïne. Dit is een ernstig feit. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Daarbij heeft de handel in harddrugs een aanzuigende werking van andere soorten criminaliteit welke een negatieve invloed hebben op de samenleving. Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat deze nadelige gevolgen in stand werden gehouden. Voorts rekent de rechtbank verdachte de specifieke handelswijze bij het plegen van de feiten aan. Het verkopen van verslavende harddrugs aan kwetsbare – verslaafde – personen is op zichzelf al zeer kwalijk, maar uit de verklaringen van gebruikers is gebleken dat als zij langere tijd niet kochten, de gebruikers actief werden benaderd en hen zelfs eenmalig gratis drugs werd aangeboden. Op deze manier werden deze kwetsbare personen onderhouden in hun verslaving. Bij de beoordeling van de ernst van de feiten houdt de rechtbank overigens in het voordeel van verdachte rekening met zijn licht verstandelijke beperking, als gevolg waarvan verdachte zich mogelijk heeft laten meeslepen en beïnvloeden. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte een minder zware rol in het geheel lijkt te hebben gehad dan zijn medeverdachte(n). Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr aan de orde is. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 24 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden en heeft meegewerkt aan zijn behandeling. De reclassering adviseert, in het geval van een strafoplegging, geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn 5 juni 2023 is, gelet op de ingediende onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank gaat echter uit van de datum dat verdachte in verzekering is gesteld en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 december 2021. De behandeling had dus uiterlijk 14 december 2023 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 7 april 2026. Dit is dan ook een forse overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hiervoor een duidelijke, aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank zal deze omstandigheid dan ook in strafverminderende zin meewegen in haar straftoemeting. Straf De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 9 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.