Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:4794
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,207 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 text/xml public 2026-05-20T10:21:35 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 13/388944-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 text/html public 2026-05-20T10:21:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 13/388944-24 Met auto inrijden wisselbuis A8 en in poging om aan de politie te ontkomen vervolgens schuldig maken aan zeer gevaarlijk rijgedrag, waaronder spookrijden op de A8. Bewezenverklaring van vernieling en overtreding van artikel 5a WVW 94. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/388944-24 (A) en 13/125571-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 16/229257-23 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 september 2025 en 12 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.T.A. de Ridder en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Vos, naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij] en van wat [vertegenwoordiger 1] namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het door [vertegenwoordiger 2] uitgeoefende spreekrecht namens de in zaak B als slachtoffer genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat ten aanzien van zaak A hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een verrijdbare vangrail en/of een paal met luidsprekers en/of lampen en/of een kabel en/of een (bedien/elektra)kast en/of een (calamiteiten)kast, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; (artikel 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht) ten aanzien van zaak B hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en/of - één of meerdere malen op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en/of - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en/of optische signalen en/of geluidssignalen en/of - één of meerdere malen slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en/of - één of meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en/of - één of meerdere malen met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en/of - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en/of - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig (personenauto), rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gereden en/of gebotst, waardoor letsel aan personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; (artikel 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en/of - één of meerdere malen op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en/of - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en/of optische signalen en/of geluidssignalen en/of - één of meerdere malen slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en/of - één of meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en/of - één of meerdere malen met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en/of - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en/of - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig (personenauto), rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gereden en/of gebotst, waardoor letsel aan personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht; (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994) 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A en het in zaak B primair tenlastegelegde, kan worden bewezen op grond van de inhoud van het dossier. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het in zaak A en het in zaak B primair tenlastegelegde. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Zaak A De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de in zaak A tenlastegelegde vernielingen kunnen worden bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 text/xml public 2026-05-20T10:21:35 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 13/388944-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 text/html public 2026-05-20T10:21:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4794 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 13/388944-24 Met auto inrijden wisselbuis A8 en in poging om aan de politie te ontkomen vervolgens schuldig maken aan zeer gevaarlijk rijgedrag, waaronder spookrijden op de A8. Bewezenverklaring van vernieling en overtreding van artikel 5a WVW 94. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/388944-24 (A) en 13/125571-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 16/229257-23 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 september 2025 en 12 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.T.A. de Ridder en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Vos, naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij] en van wat [vertegenwoordiger 1] namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het door [vertegenwoordiger 2] uitgeoefende spreekrecht namens de in zaak B als slachtoffer genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat ten aanzien van zaak A hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een verrijdbare vangrail en/of een paal met luidsprekers en/of lampen en/of een kabel en/of een (bedien/elektra)kast en/of een (calamiteiten)kast, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; (artikel 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht) ten aanzien van zaak B hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en/of - één of meerdere malen op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en/of - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en/of optische signalen en/of geluidssignalen en/of - één of meerdere malen slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en/of - één of meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en/of - één of meerdere malen met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en/of - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en/of - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig (personenauto), rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gereden en/of gebotst, waardoor letsel aan personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; (artikel 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en/of - één of meerdere malen op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en/of - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en/of optische signalen en/of geluidssignalen en/of - één of meerdere malen slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en/of - één of meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en/of - één of meerdere malen met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en/of - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en/of - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig (personenauto), rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gereden en/of gebotst, waardoor letsel aan personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht; (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994) 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A en het in zaak B primair tenlastegelegde, kan worden bewezen op grond van de inhoud van het dossier. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het in zaak A en het in zaak B primair tenlastegelegde. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Zaak A De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de in zaak A tenlastegelegde vernielingen kunnen worden bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier.
Volledig
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de tenlastegelegde vernielingen bekent, met uitzondering van de verrijdbare vangrail en de zich daarop bevindende lampjes. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank dat de aangifte op dit punt steun vindt in de zich in het dossier bevindende ‘screenshots’ van de camerabeelden en de bijbehorende beschrijvingen. Op deze screenshots is volgens de beschrijving namelijk te zien dat verdachte tegen een lampje op de verrijdbare vangrail trapt. Gelet hierop acht de rechtbank ook de vernieling van verrijdbare vangrail met de zich daarop bevindende lampjes bewezen. Zaak B De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het primair tenlastegelegde in zaak B kan worden bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de (bekennende) verklaring van verdachte. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van zaak A : op 7 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een verrijdbare vangrail en een paal met luidsprekers en lampen en een kabel en een (bedien/elektra)kast en/of een (calamiteiten)kast, die aan [benadeelde partij] , toebehoorden heeft vernield. ten aanzien van zaak B, primair : op 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en - op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en optische signalen en geluidssignalen en - slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en - meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en - met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig, rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gebotst, waardoor letsel bij [slachtoffer 2] , is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in de zaken A en B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering genoemd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de psychische gesteldheid van verdachte. Bij verdachte is na het ongeval een psychose geconstateerd en hij is hiervoor onder behandeling geweest – met medicatie - bij (de crisisdienst van) [GGZ-instelling] . Daarnaast gaat verdachte door een moeilijke periode nu zijn vader, waarbij verdachte ook inwoonde, recentelijk onverwachts is overleden. Verdachte is bovendien het afgelopen jaar niet meer in aanraking gekomen met justitie en artikel 63 Sr is van toepassing. Ten slotte geldt dat verdachte zelf gewond is geraakt bij het incident op 7 december 2024. Gelet op al het bovenstaande wordt verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overschrijdt. Verzocht wordt een voorwaardelijk(e) straf(deel) op te leggen, in de vorm van een gevangenisstraf of een taakstraf, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast kan een onvoorwaardelijke taakstraf worden opgelegd. Ten slotte wordt verzocht om een OBM slechts in voorwaardelijke zin op te leggen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte is op 7 december 2024 een afgesloten inrit van de wisselbuis van de A8 ingereden. Daar is hij tegen de verrijdbare vangrail aangereden en heeft meerdere vernielingen aangericht, van lampen (op die verrijdbare vangrail) en van verschillende elektra/calamiteitenkasten. De politie is gealarmeerd en verdachte heeft zich, in een poging om aan de politie te ontkomen, als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Zo is verdachte spookrijdend de toerit Oostzaan afgereden. De politie heeft een achtervolging ingezet die plaatsvond op hoge snelheid op de A8, in de Coentunnel en op de A5. Verdachte heeft onaanvaardbare risico’s genomen en andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijk want verdachte heeft vervolgens een personenauto aangereden op de Australiëhavenweg te Amsterdam, waarbij een inzittende van die auto letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest en onder meer in de vijf jaren voorafgaand aan het feit twee keer een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor verkeersfeiten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsrapport over verdachte van 23 december 2025. Hieruit volgt – kort samengevat – het volgende. Op basis van de beschikbare informatie wordt de indruk gewekt dat met name de leefgebieden psychosociaal functioneren en middelengebruik delictgerelateerd zijn. Verdachte zou, mogelijk naar aanleiding van onderhavige verdenking, zijn onderzocht door de crisisdienst van [GGZ-instelling] .
Volledig
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de tenlastegelegde vernielingen bekent, met uitzondering van de verrijdbare vangrail en de zich daarop bevindende lampjes. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank dat de aangifte op dit punt steun vindt in de zich in het dossier bevindende ‘screenshots’ van de camerabeelden en de bijbehorende beschrijvingen. Op deze screenshots is volgens de beschrijving namelijk te zien dat verdachte tegen een lampje op de verrijdbare vangrail trapt. Gelet hierop acht de rechtbank ook de vernieling van verrijdbare vangrail met de zich daarop bevindende lampjes bewezen. Zaak B De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het primair tenlastegelegde in zaak B kan worden bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de (bekennende) verklaring van verdachte. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van zaak A : op 7 december 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een verrijdbare vangrail en een paal met luidsprekers en lampen en een kabel en een (bedien/elektra)kast en/of een (calamiteiten)kast, die aan [benadeelde partij] , toebehoorden heeft vernield. ten aanzien van zaak B, primair : op 7 december 2024 te Amsterdam en/of Zaandam en/of Oostzaan, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A8 en/of de Rijkweg A10 en/of de Thorbeckeweg en/of de Skoon en/of de Kolkweg en/of de Rijksweg A5 en/of de Luvernes en/of de Theemsweg en/of de Australiëhavenweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - een wisselstrook te gebruiken terwijl voornoemde wisselstrook niet toegankelijk en/of open was voor verkeer en - op een auto(snel)weg niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers heeft hij, verdachte, op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer gereden (spookrijden) en - geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en optische signalen en geluidssignalen en - slingerende bewegingen te maken richting een dienstvoertuig van politie, welk dienstvoertuig zich naast en/of dicht achter hem, verdachte bevond, waardoor voornoemd dienstvoertuig moest uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en - meerdere malen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en - richting een stilstaand dienstvoertuig van politie te rijden, waarbij hij, verdachte, op het laatste moment is uitgeweken en - met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de geldende maximumsnelheid en - een rotonde in tegengestelde richting op te rijden en - niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers reed hij (gedeeltelijk) op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en (vervolgens) is hij, verdachte, tegen een voertuig, rijdend op de rijbaan voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, gebotst, waardoor letsel bij [slachtoffer 2] , is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in de zaken A en B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering genoemd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de psychische gesteldheid van verdachte. Bij verdachte is na het ongeval een psychose geconstateerd en hij is hiervoor onder behandeling geweest – met medicatie - bij (de crisisdienst van) [GGZ-instelling] . Daarnaast gaat verdachte door een moeilijke periode nu zijn vader, waarbij verdachte ook inwoonde, recentelijk onverwachts is overleden. Verdachte is bovendien het afgelopen jaar niet meer in aanraking gekomen met justitie en artikel 63 Sr is van toepassing. Ten slotte geldt dat verdachte zelf gewond is geraakt bij het incident op 7 december 2024. Gelet op al het bovenstaande wordt verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overschrijdt. Verzocht wordt een voorwaardelijk(e) straf(deel) op te leggen, in de vorm van een gevangenisstraf of een taakstraf, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast kan een onvoorwaardelijke taakstraf worden opgelegd. Ten slotte wordt verzocht om een OBM slechts in voorwaardelijke zin op te leggen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte is op 7 december 2024 een afgesloten inrit van de wisselbuis van de A8 ingereden. Daar is hij tegen de verrijdbare vangrail aangereden en heeft meerdere vernielingen aangericht, van lampen (op die verrijdbare vangrail) en van verschillende elektra/calamiteitenkasten. De politie is gealarmeerd en verdachte heeft zich, in een poging om aan de politie te ontkomen, als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Zo is verdachte spookrijdend de toerit Oostzaan afgereden. De politie heeft een achtervolging ingezet die plaatsvond op hoge snelheid op de A8, in de Coentunnel en op de A5. Verdachte heeft onaanvaardbare risico’s genomen en andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijk want verdachte heeft vervolgens een personenauto aangereden op de Australiëhavenweg te Amsterdam, waarbij een inzittende van die auto letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest en onder meer in de vijf jaren voorafgaand aan het feit twee keer een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor verkeersfeiten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsrapport over verdachte van 23 december 2025. Hieruit volgt – kort samengevat – het volgende. Op basis van de beschikbare informatie wordt de indruk gewekt dat met name de leefgebieden psychosociaal functioneren en middelengebruik delictgerelateerd zijn. Verdachte zou, mogelijk naar aanleiding van onderhavige verdenking, zijn onderzocht door de crisisdienst van [GGZ-instelling] .
Volledig
Door [GGZ-instelling] zou een bipolaire stoornis zijn vastgesteld. Het is – door toedoen van verdachte zelf – de reclassering niet gelukt om tijdig in contact te komen met de contactpersoon van verdachte bij [GGZ-instelling] , wat maakt dat er geen volledig beeld is ontstaan. Verdachte spreekt van psychotische klachten, die kunnen optreden tijdens manische episodes. Gedurende een half jaar zou er sprake zijn geweest van verplichte zorg. Verdachte heeft deze zorg niet voortgezet in een vrijwillig kader. Er is niet langer sprake van behandeling, begeleiding of medicatie. Op de overige leefgebieden is sprake van enige instabiliteit. Verdachte heeft momenteel geen dagbesteding en er is sprake van forse schulden, waarvoor verdachte momenteel ondersteuning zou krijgen vanuit de gemeente. Verdachte woont met zijn gezin met twee jonge kinderen bij zijn moeder in. Zijn vader is in augustus 2025 onverwachts overleden. Het aantal politiecontacten is het afgelopen halfjaar afgenomen. De reclassering kan met de beschikbare informatie onvoldoende inschatten of interventies in een forensisch kader en toezicht nodig zijn. Bij een bipolaire stoornis is een terugval – zonder doorlopende behandeling – niet uit te sluiten, wat mogelijk kan leiden tot een verhoogd risico op recidive. Mocht de rechtbank besluiten tot het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, dan adviseert de reclassering een behandelverplichting en het meewerken aan middelencontroles gericht op alcohol en drugs. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor oplegging van een taakstraf en een OBM. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn psychische staat, acht de rechtbank – in afwijking van de vordering van de officier van justitie – een taakstraf een meer passende modaliteit, dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een deel van die taakstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren en zal daaraan de in het reclasseringsrapport van 23 december 2025 genoemde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke taakstraf passend, enerzijds om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken, en anderzijds om te bewerkstelligen dat aandacht wordt besteed aan de psychische problematiek van verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 160 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaren, Daarnaast zal de rechtbank – ten aanzien van het bewezenverklaarde in zaak B – aan verdachte een OBM in voorwaardelijke zin opleggen voor de duur voor 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst aan dergelijk gevaarlijk rijgedrag schuldig te maken. 9 Ten aanzien van de benadeelde partij 9.1. De vordering benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde € 22.749,82 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 9.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente. 9.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de vordering niet betwist. 9.4. Het oordeel van de rechtbank Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. Naar oordeel van de rechtbank is de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 7 december 2024. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De oplegging van de maatregel ex artikel 36f is niet gevorderd door de benadeelde partij. 10 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 10.1. De vordering Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 16/229257-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 9 januari 2024 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot € 250,- niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. 10.2. De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat van het voorwaardelijk strafdeel reeds onherroepelijk de tenuitvoerlegging is gelast. 10.3. Het oordeel van de rechtbank Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie echter niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, omdat daarvan – blijkens het uittreksel van justitiële documentatie van verdachte van 2 februari 2026 – de tenuitvoerlegging reeds onherroepelijk is gelast. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van zaak A : opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd; ten aanzien van zaak B : overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren . Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen. Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 uren , van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd: - Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich binnen twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - Ambulante behandeling Veroordeelde laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Volledig
Door [GGZ-instelling] zou een bipolaire stoornis zijn vastgesteld. Het is – door toedoen van verdachte zelf – de reclassering niet gelukt om tijdig in contact te komen met de contactpersoon van verdachte bij [GGZ-instelling] , wat maakt dat er geen volledig beeld is ontstaan. Verdachte spreekt van psychotische klachten, die kunnen optreden tijdens manische episodes. Gedurende een half jaar zou er sprake zijn geweest van verplichte zorg. Verdachte heeft deze zorg niet voortgezet in een vrijwillig kader. Er is niet langer sprake van behandeling, begeleiding of medicatie. Op de overige leefgebieden is sprake van enige instabiliteit. Verdachte heeft momenteel geen dagbesteding en er is sprake van forse schulden, waarvoor verdachte momenteel ondersteuning zou krijgen vanuit de gemeente. Verdachte woont met zijn gezin met twee jonge kinderen bij zijn moeder in. Zijn vader is in augustus 2025 onverwachts overleden. Het aantal politiecontacten is het afgelopen halfjaar afgenomen. De reclassering kan met de beschikbare informatie onvoldoende inschatten of interventies in een forensisch kader en toezicht nodig zijn. Bij een bipolaire stoornis is een terugval – zonder doorlopende behandeling – niet uit te sluiten, wat mogelijk kan leiden tot een verhoogd risico op recidive. Mocht de rechtbank besluiten tot het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, dan adviseert de reclassering een behandelverplichting en het meewerken aan middelencontroles gericht op alcohol en drugs. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor oplegging van een taakstraf en een OBM. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn psychische staat, acht de rechtbank – in afwijking van de vordering van de officier van justitie – een taakstraf een meer passende modaliteit, dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een deel van die taakstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren en zal daaraan de in het reclasseringsrapport van 23 december 2025 genoemde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke taakstraf passend, enerzijds om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken, en anderzijds om te bewerkstelligen dat aandacht wordt besteed aan de psychische problematiek van verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 160 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaren, Daarnaast zal de rechtbank – ten aanzien van het bewezenverklaarde in zaak B – aan verdachte een OBM in voorwaardelijke zin opleggen voor de duur voor 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst aan dergelijk gevaarlijk rijgedrag schuldig te maken. 9 Ten aanzien van de benadeelde partij 9.1. De vordering benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde € 22.749,82 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 9.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente. 9.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de vordering niet betwist. 9.4. Het oordeel van de rechtbank Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. Naar oordeel van de rechtbank is de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 7 december 2024. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De oplegging van de maatregel ex artikel 36f is niet gevorderd door de benadeelde partij. 10 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 10.1. De vordering Bij de stukken bevindt zich de op 26 maart 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 16/229257-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 9 januari 2024 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot € 250,- niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. 10.2. De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat van het voorwaardelijk strafdeel reeds onherroepelijk de tenuitvoerlegging is gelast. 10.3. Het oordeel van de rechtbank Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie echter niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, omdat daarvan – blijkens het uittreksel van justitiële documentatie van verdachte van 2 februari 2026 – de tenuitvoerlegging reeds onherroepelijk is gelast. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van zaak A : opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd; ten aanzien van zaak B : overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren . Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen. Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 uren , van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd: - Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich binnen twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - Ambulante behandeling Veroordeelde laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.