Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:4793
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,220 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 text/xml public 2026-05-20T10:20:06 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 13/125709-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 text/html public 2026-05-20T10:19:09 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 13/125709-25 Met auto inrijden op agent op scooter. Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling en vernieling (van de scooter). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/125709-25 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Schilder, naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] en van [benadeelde partij 2] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heef gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 287 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht) 2. hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter (kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. (artikel 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen, omdat uit het dossier niet volgt dat verdachte opzet had op de dood van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en evenmin dat er een aanmerkelijk kans op de dood van [benadeelde partij 1] was. Wel kan de onder 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling worden bewezen. Verdachte is met zijn auto met snelheid op [benadeelde partij 1] afgereden. Daarmee heeft verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De onder 2 tenlastegelegde vernieling van de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat, kan worden bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ) en de foto’s van de schade aan de scooter. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, omdat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn auto op [benadeelde partij 1] is ingereden. Verdachte en [benadeelde partij 1] verklaren tegenstrijdig. Verdachte verklaart namelijk dat [benadeelde partij 1] met zijn scooter juist op de auto van verdachte is ingereden. Die tegenstrijdige verklaringen, in combinatie met de aanwijzingen dat de schade aan de auto van verdachte al eerder bestond, maken dat ernstige twijfel bestaat over de juistheid van de lezing van [benadeelde partij 1] . Subsidiair geldt dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling (feit 1, primair en subsidiair). Gezien de geringe afstand (tussen de auto en de scooter) en de lage snelheid van de auto kan niet worden bewezen dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op de dood, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, noch dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij 1] zou overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Indien de rechtbank de verklaring van [benadeelde partij 1] zou volgen, dan refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging van [benadeelde partij 1] en de onder 2 tenlastegelegde vernieling/beschadiging van de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Is verdachte op [benadeelde partij 1] ingereden? De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat op 23 april 2025 de auto die verdachte bestuurde, op enig moment ‘klem’ stond tussen [benadeelde partij 1] en [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ). [benadeelde partij 1] zat op een scooter en stond aan de voorkant van de auto. [verbalisant] stond aan de achterzijde van de auto. De afstand tussen de auto van verdachte en [benadeelde partij 1] betrof op dat moment ongeveer 3 meter. Vervolgens heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van verdachte en (de scooter van) [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 1] stelt dat verdachte tegen hem is aangereden en verdachte heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] tegen hem is aangereden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die op [benadeelde partij 1] is ingereden en daarbij tegen (de scooter van) [benadeelde partij 1] is aangereden. De verklaring van [benadeelde partij 1] op dit punt vindt namelijk steun in de verklaring van [verbalisant] . Zowel [benadeelde partij 1] als [verbalisant] verklaren bovendien dat hierdoor schade is ontstaan aan de achterzijde van de scooter. Dat komt overeen met de schade die op de scooter is vastgesteld, zichtbaar op de foto’s in het dossier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 text/xml public 2026-05-20T10:20:06 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 13/125709-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 text/html public 2026-05-20T10:19:09 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4793 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 13/125709-25 Met auto inrijden op agent op scooter. Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling en vernieling (van de scooter). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/125709-25 Datum uitspraak: 26 maart 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Schilder, naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] en van [benadeelde partij 2] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heef gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 287 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door vanaf een korte afstand, in een auto, althans een voertuig, met hoge snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en/of op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht) 2. hij op of omstreeks 23 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter (kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. (artikel 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen, omdat uit het dossier niet volgt dat verdachte opzet had op de dood van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en evenmin dat er een aanmerkelijk kans op de dood van [benadeelde partij 1] was. Wel kan de onder 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling worden bewezen. Verdachte is met zijn auto met snelheid op [benadeelde partij 1] afgereden. Daarmee heeft verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De onder 2 tenlastegelegde vernieling van de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat, kan worden bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ) en de foto’s van de schade aan de scooter. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, omdat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn auto op [benadeelde partij 1] is ingereden. Verdachte en [benadeelde partij 1] verklaren tegenstrijdig. Verdachte verklaart namelijk dat [benadeelde partij 1] met zijn scooter juist op de auto van verdachte is ingereden. Die tegenstrijdige verklaringen, in combinatie met de aanwijzingen dat de schade aan de auto van verdachte al eerder bestond, maken dat ernstige twijfel bestaat over de juistheid van de lezing van [benadeelde partij 1] . Subsidiair geldt dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling (feit 1, primair en subsidiair). Gezien de geringe afstand (tussen de auto en de scooter) en de lage snelheid van de auto kan niet worden bewezen dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op de dood, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, noch dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij 1] zou overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Indien de rechtbank de verklaring van [benadeelde partij 1] zou volgen, dan refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging van [benadeelde partij 1] en de onder 2 tenlastegelegde vernieling/beschadiging van de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Is verdachte op [benadeelde partij 1] ingereden? De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat op 23 april 2025 de auto die verdachte bestuurde, op enig moment ‘klem’ stond tussen [benadeelde partij 1] en [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ). [benadeelde partij 1] zat op een scooter en stond aan de voorkant van de auto. [verbalisant] stond aan de achterzijde van de auto. De afstand tussen de auto van verdachte en [benadeelde partij 1] betrof op dat moment ongeveer 3 meter. Vervolgens heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van verdachte en (de scooter van) [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 1] stelt dat verdachte tegen hem is aangereden en verdachte heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] tegen hem is aangereden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die op [benadeelde partij 1] is ingereden en daarbij tegen (de scooter van) [benadeelde partij 1] is aangereden. De verklaring van [benadeelde partij 1] op dit punt vindt namelijk steun in de verklaring van [verbalisant] . Zowel [benadeelde partij 1] als [verbalisant] verklaren bovendien dat hierdoor schade is ontstaan aan de achterzijde van de scooter. Dat komt overeen met de schade die op de scooter is vastgesteld, zichtbaar op de foto’s in het dossier.
Volledig
Dat de scooter niet aan alle kanten is gefotografeerd, zoals door de raadsvrouw naar voren is gebracht, doet aan voornoemde constatering (van schade aan de achterzijde van de scooter) niet af. De verklaring van verdachte, dat hij juist werd aangereden door [benadeelde partij 1], wordt daarentegen niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Ook niet door de door de verdediging overgelegde foto waarop reeds eerder bestaande schade aan de auto van verdachte zichtbaar zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank doet eventuele reeds bestaande schade aan de auto niet af aan de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [verbalisant] over het door verdachte inrijden op [benadeelde partij 1] , en de - aantoonbare - schade die daardoor aan de scooter is toegebracht. De vraag is vervolgens hoe voornoemd handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd. Vrijspraak poging tot doodslag Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij 1] , ook niet in voorwaardelijke zin. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 1] zou komen te overlijden en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake was van poging tot zware mishandeling. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] . De rechtbank stelt wel vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] en overweegt daartoe het volgende. Uit het dossier blijkt dat verdachte vanaf een relatief korte afstand met een meer dan geringe snelheid met een auto op [benadeelde partij 1] , die op een scooter zat, is afgereden. Met betrekking tot de - meer dan geringe - snelheid neemt de rechtbank in aanmerking dat [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de auto een hoog toerental maakte voordat hij op hem inreed, en dat de scooter vervolgens door de klap werd opgetild en met het achterwiel los kwam van de grond. Ook [verbalisant] heeft verklaard dat de auto bij het wegrijden veel toeren maakte, dat de auto hard optrok en vervolgens ‘harder wegreed dan je normaal zou wegrijden’. De auto reed volgens [verbalisant] vervolgens met een harde klap tegen de scooter aan en [benadeelde partij 1] ‘was omver’. Dat sprake was van meer dan geringe snelheid volgt ook uit de omstandigheid dat ten gevolge van de klap schade aan de scooter is ontstaan. De rechtbank concludeert dat verdachte, door op voornoemde manier te handelen, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van iemand op een scooter door een auto met een meer dan geringe snelheid namelijk de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij die scooterrijder op. Een persoon op een scooter is ten opzichte van een auto nu eenmaal een kwetsbare verkeersdeelnemer. Dat [benadeelde partij 1] in dit geval niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen doet hieraan niet af. Weliswaar is enkel de scooter van [benadeelde partij 1] geraakt, maar [benadeelde partij 1] heeft verklaard nog gas te hebben gegeven om weg te komen met de scooter, zodat hij niet 'volop' zou worden geraakt door de auto. Hierdoor is waarschijnlijk erger voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, althans op de koop heeft toegenomen. Van contra-indicaties is niet gebleken. Dat verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het om een verbalisant ging, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de onder 2 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Feit 2 Verdachte is, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, met zijn auto aangereden tegen de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat. Hierdoor is er schade aan deze scooter toegebracht, blijkens ook de foto’s van die schade uit het dossier. De rechtbank stelt hierbij vast dat verdachte met zijn handelen minst genomen de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hij de scooter zou beschadigen, zodat ook het (voorwaardelijk) opzet op de beschadiging van de scooter is gegeven. De rechtbank acht dan ook het opzettelijk beschadigen van de scooter, eigendom van [benadeelde partij 2] , bewezen. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte 1. op 23 april 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen vanaf een korte afstand, in een auto, met snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. op 23 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter (kenteken [kenteken 1] ), die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde heeft beschadigd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 (subsidiair) en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 22 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van de gedragsinterventie Cognitieve vaardigheden). Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM), voor de duur van zes maanden wordt opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest aan verdachte op te leggen, zodat verdachte nu niet opnieuw terug hoeft in detentie. Voor wat betreft de oplegging van een alternatieve straf en de oplegging van bijzondere voorwaarden, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft de raadsvrouw verzocht om géén OBM op te leggen, ook niet in voorwaardelijke zin. De oplegging daarvan is niet (meer) opportuun, mede vanwege het feit dat verdachte de naar aanleiding van het incident verplichte CBR-cursus positief heeft afgerond. 8.3.
Volledig
Dat de scooter niet aan alle kanten is gefotografeerd, zoals door de raadsvrouw naar voren is gebracht, doet aan voornoemde constatering (van schade aan de achterzijde van de scooter) niet af. De verklaring van verdachte, dat hij juist werd aangereden door [benadeelde partij 1], wordt daarentegen niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Ook niet door de door de verdediging overgelegde foto waarop reeds eerder bestaande schade aan de auto van verdachte zichtbaar zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank doet eventuele reeds bestaande schade aan de auto niet af aan de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [verbalisant] over het door verdachte inrijden op [benadeelde partij 1] , en de - aantoonbare - schade die daardoor aan de scooter is toegebracht. De vraag is vervolgens hoe voornoemd handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd. Vrijspraak poging tot doodslag Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij 1] , ook niet in voorwaardelijke zin. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 1] zou komen te overlijden en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake was van poging tot zware mishandeling. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] . De rechtbank stelt wel vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] en overweegt daartoe het volgende. Uit het dossier blijkt dat verdachte vanaf een relatief korte afstand met een meer dan geringe snelheid met een auto op [benadeelde partij 1] , die op een scooter zat, is afgereden. Met betrekking tot de - meer dan geringe - snelheid neemt de rechtbank in aanmerking dat [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de auto een hoog toerental maakte voordat hij op hem inreed, en dat de scooter vervolgens door de klap werd opgetild en met het achterwiel los kwam van de grond. Ook [verbalisant] heeft verklaard dat de auto bij het wegrijden veel toeren maakte, dat de auto hard optrok en vervolgens ‘harder wegreed dan je normaal zou wegrijden’. De auto reed volgens [verbalisant] vervolgens met een harde klap tegen de scooter aan en [benadeelde partij 1] ‘was omver’. Dat sprake was van meer dan geringe snelheid volgt ook uit de omstandigheid dat ten gevolge van de klap schade aan de scooter is ontstaan. De rechtbank concludeert dat verdachte, door op voornoemde manier te handelen, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van iemand op een scooter door een auto met een meer dan geringe snelheid namelijk de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij die scooterrijder op. Een persoon op een scooter is ten opzichte van een auto nu eenmaal een kwetsbare verkeersdeelnemer. Dat [benadeelde partij 1] in dit geval niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen doet hieraan niet af. Weliswaar is enkel de scooter van [benadeelde partij 1] geraakt, maar [benadeelde partij 1] heeft verklaard nog gas te hebben gegeven om weg te komen met de scooter, zodat hij niet 'volop' zou worden geraakt door de auto. Hierdoor is waarschijnlijk erger voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, althans op de koop heeft toegenomen. Van contra-indicaties is niet gebleken. Dat verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het om een verbalisant ging, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de onder 2 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Feit 2 Verdachte is, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, met zijn auto aangereden tegen de scooter waarop [benadeelde partij 1] zat. Hierdoor is er schade aan deze scooter toegebracht, blijkens ook de foto’s van die schade uit het dossier. De rechtbank stelt hierbij vast dat verdachte met zijn handelen minst genomen de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hij de scooter zou beschadigen, zodat ook het (voorwaardelijk) opzet op de beschadiging van de scooter is gegeven. De rechtbank acht dan ook het opzettelijk beschadigen van de scooter, eigendom van [benadeelde partij 2] , bewezen. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte 1. op 23 april 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen vanaf een korte afstand, in een auto, met snelheid in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft gereden en op die [benadeelde partij 1] in heeft gereden, waarbij de scooter, althans het voertuig, waar die [benadeelde partij 1] zich op bevond, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. op 23 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter (kenteken [kenteken 1] ), die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde heeft beschadigd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 (subsidiair) en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 22 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (met uitzondering van de gedragsinterventie Cognitieve vaardigheden). Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM), voor de duur van zes maanden wordt opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest aan verdachte op te leggen, zodat verdachte nu niet opnieuw terug hoeft in detentie. Voor wat betreft de oplegging van een alternatieve straf en de oplegging van bijzondere voorwaarden, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft de raadsvrouw verzocht om géén OBM op te leggen, ook niet in voorwaardelijke zin. De oplegging daarvan is niet (meer) opportuun, mede vanwege het feit dat verdachte de naar aanleiding van het incident verplichte CBR-cursus positief heeft afgerond. 8.3.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met zijn auto op een verbalisant op scooter in te rijden, die verdachte staande wilde houden. Door zijn gedrag heeft verdachte de verbalisant in gevaar gebracht terwijl hij bezig was met zijn werk en het uitoefenen van zijn publieke taak. Gelukkig kon de verbalisant op tijd enigszins met zijn scooter opzij bewegen en is ‘alleen’ de scooter beschadigd geraakt (feit 2). De gevolgen van het handelen van verdachte hadden veel ernstiger kunnen zijn. Door het onverantwoordelijke en risicovolle gedrag van verdachte heeft hij bij de betreffende verbalisant angst teweeggebracht dat hij ernstig gewond had kunnen raken. Uit zijn slachtofferverklaring is duidelijk geworden dat de verbalisant hiervan veel last heeft (gehad). De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de 5 jaar voorafgaand aan het feit eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en recentelijk een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor rijden onder invloed van drugs, zodat artikel 63 van toepassing is. Gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 22 jaar oud was, dient te worden overwogen of het volwassen- of jeugdstrafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft in dit verband kennis genomen van het reclasseringsrapport van 1 juli 2025. Hieruit blijkt dat er geen indicaties zijn dat sprake is van een verstandelijke beperking bij verdachte. Verdachte gaat niet meer naar school en lijkt ook niet meer ontvankelijk voor pedagogische interventies door volwassenen. Ten tijde van de voorgeleiding is geadviseerd verdachte in volwassendetentie te plaatsen, hetgeen is gebeurd. Verdachte lijkt goed te functioneren binnen het volwassenregime in de penitentiaire inrichting. Op basis van het voorgaande adviseert de reclassering om verdachte te berechten onder het volwassenstrafrecht. De rechtbank neemt dit advies van de reclassering over. Er zijn de rechtbank geen redenen gebleken om af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht. Door de verdediging is ook overigens geen beroep gedaan op toepassing van het jeugdstrafrecht. Over de persoon van verdachte blijkt verder uit het reclasseringsadvies van 1 juli 2025 onder meer het volgende. Met name het psychosociaal functioneren, mogelijk ook het middelengebruik en de houding van verdachte zijn risicofactoren voor delictgedrag. Verdachte is volgens een NIFP-rapportage uit 2019 geneigd om impulsief te reageren en is op stressvolle momenten onvoldoende in staat om cognitief te redeneren of iets onjuist is of niet. De cognitieve capaciteiten van verdachte werden voldoende geacht om binnen de maatschappij te functioneren. Echter, vanwege zijn beperkte verwerkingssnelheid heeft hij een langzamer tempo van informatieverwerking en heeft hij meer tijd nodig dan anderen om de informatie te begrijpen en te reageren op de ontvangen informatie. Gelet hierop acht de reclassering een training gericht op cognitieve vaardigheden geïndiceerd. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, meewerken aan dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole. De eveneens geadviseerde gedragsinterventie cognitieve vaardigheden heeft verdachte inmiddels positief afgerond, zoals blijkt uit een e-mail van 11 maart 2026 van de reclassering. Uit deze mail blijkt tevens dat verdachte sinds januari 2026 een baan heeft en 6 dagen in de week werkt. Daarnaast heeft verdachte bewijzen geleverd dat hij betalingsregelingen heeft getroffen voor zijn schulden. Ook zou verdachte naar eigen zeggen de naar aanleiding van het incident opgelegde CBR-cursus hebben afgerond. De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten gaan voor een zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het in het geval van verdachte om een poging gaat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen passend en geboden. De rechtbank houdt echter ook rekening met de bovengenoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder begrepen dat er – blijkens de e-mail van de reclassering – recentelijk positieve ontwikkelingen zijn in het leven van verdachte. Daarom zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin opleggen, zodat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Het voorwaardelijk strafdeel dient ook als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan dit soort feiten. In dit verband zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke OBM opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een voorwaardelijke OBM voor de duur van 6 maanden, met eveneens een proeftijd van 2 jaar. 9 Ten aanzien van de benadeelde partijen 9.1. De vorderingen benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde € 650,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde € 268,08 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 9.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide vorderingen in het geheel kunnen worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] is tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 9.3. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de beide vorderingen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaring gelet op de verzochte integrale vrijspraak. Bij een veroordeling (voor feit 1) heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] – subsidiair - verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren nu deze onvoldoende is onderbouwd. Er is geen sprake van de situatie dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Meer subsidiair verzoekt zij de toe te kennen vergoeding aan [benadeelde partij 1] te matigen. Bij een veroordeling (voor feit 2) refereert de raadsvrouw zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] aan het oordeel van de rechtbank. 9.4. Het oordeel van de rechtbank [benadeelde partij 1] Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam (ECLI: NL:HR:2019:793, r.o.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met zijn auto op een verbalisant op scooter in te rijden, die verdachte staande wilde houden. Door zijn gedrag heeft verdachte de verbalisant in gevaar gebracht terwijl hij bezig was met zijn werk en het uitoefenen van zijn publieke taak. Gelukkig kon de verbalisant op tijd enigszins met zijn scooter opzij bewegen en is ‘alleen’ de scooter beschadigd geraakt (feit 2). De gevolgen van het handelen van verdachte hadden veel ernstiger kunnen zijn. Door het onverantwoordelijke en risicovolle gedrag van verdachte heeft hij bij de betreffende verbalisant angst teweeggebracht dat hij ernstig gewond had kunnen raken. Uit zijn slachtofferverklaring is duidelijk geworden dat de verbalisant hiervan veel last heeft (gehad). De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de 5 jaar voorafgaand aan het feit eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en recentelijk een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor rijden onder invloed van drugs, zodat artikel 63 van toepassing is. Gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 22 jaar oud was, dient te worden overwogen of het volwassen- of jeugdstrafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft in dit verband kennis genomen van het reclasseringsrapport van 1 juli 2025. Hieruit blijkt dat er geen indicaties zijn dat sprake is van een verstandelijke beperking bij verdachte. Verdachte gaat niet meer naar school en lijkt ook niet meer ontvankelijk voor pedagogische interventies door volwassenen. Ten tijde van de voorgeleiding is geadviseerd verdachte in volwassendetentie te plaatsen, hetgeen is gebeurd. Verdachte lijkt goed te functioneren binnen het volwassenregime in de penitentiaire inrichting. Op basis van het voorgaande adviseert de reclassering om verdachte te berechten onder het volwassenstrafrecht. De rechtbank neemt dit advies van de reclassering over. Er zijn de rechtbank geen redenen gebleken om af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht. Door de verdediging is ook overigens geen beroep gedaan op toepassing van het jeugdstrafrecht. Over de persoon van verdachte blijkt verder uit het reclasseringsadvies van 1 juli 2025 onder meer het volgende. Met name het psychosociaal functioneren, mogelijk ook het middelengebruik en de houding van verdachte zijn risicofactoren voor delictgedrag. Verdachte is volgens een NIFP-rapportage uit 2019 geneigd om impulsief te reageren en is op stressvolle momenten onvoldoende in staat om cognitief te redeneren of iets onjuist is of niet. De cognitieve capaciteiten van verdachte werden voldoende geacht om binnen de maatschappij te functioneren. Echter, vanwege zijn beperkte verwerkingssnelheid heeft hij een langzamer tempo van informatieverwerking en heeft hij meer tijd nodig dan anderen om de informatie te begrijpen en te reageren op de ontvangen informatie. Gelet hierop acht de reclassering een training gericht op cognitieve vaardigheden geïndiceerd. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, meewerken aan dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan middelencontrole. De eveneens geadviseerde gedragsinterventie cognitieve vaardigheden heeft verdachte inmiddels positief afgerond, zoals blijkt uit een e-mail van 11 maart 2026 van de reclassering. Uit deze mail blijkt tevens dat verdachte sinds januari 2026 een baan heeft en 6 dagen in de week werkt. Daarnaast heeft verdachte bewijzen geleverd dat hij betalingsregelingen heeft getroffen voor zijn schulden. Ook zou verdachte naar eigen zeggen de naar aanleiding van het incident opgelegde CBR-cursus hebben afgerond. De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten gaan voor een zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het in het geval van verdachte om een poging gaat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen passend en geboden. De rechtbank houdt echter ook rekening met de bovengenoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder begrepen dat er – blijkens de e-mail van de reclassering – recentelijk positieve ontwikkelingen zijn in het leven van verdachte. Daarom zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin opleggen, zodat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Het voorwaardelijk strafdeel dient ook als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan dit soort feiten. In dit verband zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke OBM opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een voorwaardelijke OBM voor de duur van 6 maanden, met eveneens een proeftijd van 2 jaar. 9 Ten aanzien van de benadeelde partijen 9.1. De vorderingen benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde € 650,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde € 268,08 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 9.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide vorderingen in het geheel kunnen worden toegewezen met toepassing van de wettelijke rente. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] is tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. 9.3. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht de beide vorderingen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaring gelet op de verzochte integrale vrijspraak. Bij een veroordeling (voor feit 1) heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] – subsidiair - verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren nu deze onvoldoende is onderbouwd. Er is geen sprake van de situatie dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Meer subsidiair verzoekt zij de toe te kennen vergoeding aan [benadeelde partij 1] te matigen. Bij een veroordeling (voor feit 2) refereert de raadsvrouw zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] aan het oordeel van de rechtbank. 9.4. Het oordeel van de rechtbank [benadeelde partij 1] Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam (ECLI: NL:HR:2019:793, r.o.
Volledig
2.4.5). Met de onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling staat immers vast dat door verdachte een ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1] . Dit betekent dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 650,-. Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 april 2025. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 650,-. [benadeelde partij 2] Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. De hoogte van de vordering is ook niet betwist. Daarom wordt de vordering toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 april 2025. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De oplegging van de maatregel ex artikel 36f is niet gevorderd door de benadeelde partij. 10 Beslag 10.1. Beslag Onder verdachte is in beslaggenomen een auto, Fiat Punto met kenteken [kenteken 2] (goednummer 6612962). 10.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de auto verbeurd te verklaren nu hiermee het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan. 10.3. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de auto. Verdachte wil zijn auto graag terug en de feiten en omstandigheden van het geval rechtvaardigden geen verbeurdverklaring. 10.4. Het oordeel van de rechtbank Teruggave aan verdachte De auto behoort aan verdachte toe. De rechtbank zal de auto teruggeven aan verdachte. Mede gelet op de op te leggen straf en de toe te wijzen schadevergoedingen afgezet tegen de financiële waarde van de auto en in relatie tot de financiële positie van verdachte, acht de rechtbank verbeurdverklaring in dit geval niet proportioneel. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 63, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: eendaadse samenloop van ten aanzien van feit 1, subsidiair : poging tot zware mishandeling; ten aanzien van feit 2 : opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 22 dagen , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd: - Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Fivoor op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - Dagbesteding Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - Meewerken aan schuldhulpverlening Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. - Meewerken aan middelencontrole Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden . Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 650,- (zeshonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 650,- (zeshonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen . De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 268,08 (tweehonderd achtenzestig euro en acht eurocent ) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Volledig
2.4.5). Met de onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling staat immers vast dat door verdachte een ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1] . Dit betekent dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 650,-. Dit bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 april 2025. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 650,-. [benadeelde partij 2] Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. De hoogte van de vordering is ook niet betwist. Daarom wordt de vordering toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 23 april 2025. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. De oplegging van de maatregel ex artikel 36f is niet gevorderd door de benadeelde partij. 10 Beslag 10.1. Beslag Onder verdachte is in beslaggenomen een auto, Fiat Punto met kenteken [kenteken 2] (goednummer 6612962). 10.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de auto verbeurd te verklaren nu hiermee het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan. 10.3. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de auto. Verdachte wil zijn auto graag terug en de feiten en omstandigheden van het geval rechtvaardigden geen verbeurdverklaring. 10.4. Het oordeel van de rechtbank Teruggave aan verdachte De auto behoort aan verdachte toe. De rechtbank zal de auto teruggeven aan verdachte. Mede gelet op de op te leggen straf en de toe te wijzen schadevergoedingen afgezet tegen de financiële waarde van de auto en in relatie tot de financiële positie van verdachte, acht de rechtbank verbeurdverklaring in dit geval niet proportioneel. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 63, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: eendaadse samenloop van ten aanzien van feit 1, subsidiair : poging tot zware mishandeling; ten aanzien van feit 2 : opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 22 dagen , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd: - Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Fivoor op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - Dagbesteding Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - Meewerken aan schuldhulpverlening Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. - Meewerken aan middelencontrole Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden . Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 650,- (zeshonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 650,- (zeshonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen . De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 268,08 (tweehonderd achtenzestig euro en acht eurocent ) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.