Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:4727
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,799 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 text/xml public 2026-05-19T12:23:55 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-03 13-239540-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 text/html public 2026-05-19T11:21:15 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 Rechtbank Amsterdam , 03-04-2026 / 13-239540-25 Veroordeling diefstal in vereniging met geweld van pakket uit bezorgbus en medeplegen van het voorhanden hebben van hennep. Gevangenisstraf en taakstraf. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/239540-25 Datum uitspraak: 3 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna: verdachte 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A. Schuttevaer, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Roodveldt, naar voren heeft gebracht. Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/239542-25). 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 9 september 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan 1. diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, van een pakket, toebehorende aan [aangever] en/of [bedrijf] ; 2. medeplegen van het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en 2. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft geen oogmerk gehad op de diefstal met geweld en heeft het pakket met hennep niet voorhanden gehad. Verdachte erkent dat hij met twee anderen naar Amsterdam is gereden om het pakket terug te halen, maar ontkent dat er sprake was van diefstal. Het was niet de bedoeling van verdachte om het pakket te stelen; hij was in de veronderstelling dat de bezorger het pakket had gestolen. Daarnaast wist hij niet wat er in het pakket zat. Op de beelden is te zien dat verdachte wordt vastgehouden door de pakketbezorger en dat het medeverdachte [medeverdachte] is die het pakket oppakt en wegneemt. Verdachte oefent het geweld alleen maar uit om zich los te trekken van de pakketbezorger. Tot slot blijkt niet dat verdachte op enig moment het pakket in zijn bezit heeft gehad. 3.3. Oordeel van de rechtbank Diefstal met geweld Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 9 september 2025 op de [plaats 1] naast zijn bestelbus stond toen er drie mannen op hem kwamen aflopen. Eén van de mannen zei: "Ik wil mijn pakket." Nadat [aangever] dit weigerde, stapte een man de bestelbus in. Toen [aangever] dit probeerde te voorkomen, is hij bedreigd, geslagen en geschopt. Een van de mannen heeft twee pakketten uit de bestelbus gepakt. Een getuige heeft beelden van het incident gemaakt en deze verstrekt aan de politie. De politie heeft deze beelden bekeken en ziet een man met een grijze jas en witte schoenen (NN1) die de [bedrijf] -bezorger vasthoudt, terwijl een man in een lichtblauwe trui (NN2) wegloopt met een zwart pakket. Even later geeft NN1 de [bedrijf] -bezorger meerdere vuistslagen in het gezicht en werpt hij hem op de grond, waarbij hij zelf ook ten val komt en de [bedrijf] -bezorger bovenop hem terecht komt. NN3, een in het zwart geklede man, trekt de [bedrijf] -bezorger van NN1 af, waarna NN1 de [bedrijf] bezorger weer enkele klappen geeft. Vervolgens neemt de [bedrijf] -bezorger afstand, waarna NN1 en NN3 weglopen. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij NN1 is en dat hij inderdaad geweld heeft gebruikt tegen de bezorger. Verder heeft hij verklaard dat hij voorafgaand aan het incident een vriend, ‘ [naam] ’, in [plaats 2] heeft opgehaald met de auto. Volgens ‘ [naam] ’ was een pakket van hem gestolen en bevond dit pakket zich in Amsterdam. Vervolgens zijn verdachte en ‘ [naam] ’ naar Amsterdam gereden, waarbij zij onderweg een korte stop hebben gemaakt om een Spaans sprekende vriend van ‘ [naam] ’ op te halen. ‘ [naam] ’ gaf aan dat zich in het pakket een GPS-tracker bevond, waarmee hij de locatie via zijn telefoon kon volgen. Op die manier zijn zij met zijn drieën bij de [bedrijf] -bezorger uitgekomen. Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld. Verdachte heeft de aangever vastgehouden, geslagen en op de grond gegooid, waarbij een van zijn mededaders het slachtoffer van hem heeft afgetrokken. Deze geweldshandelingen zorgden ervoor dat een andere mededader het pakket daadwerkelijk kon wegnemen. De geschetste gang van zaken – het afspreken, het gezamenlijk afreizen naar Amsterdam en het volgen van het pakket via een GPS-tracker om vervolgens gedrieën op de [bedrijf] -bezorger af te gaan – duiden op een vooraf gemaakt plan en uitvoering om het pakket weg te nemen. De rollen van de mannen waren hierbij onderling inwisselbaar. Het gebruik van (dreiging met) geweld moet hierbij zijn ingecalculeerd omdat niet te verwachten is dat een bezorger zonder identificatie vrijwillig een pakket aan iemand op straat meegeeft. Voorhanden hebben van hennep Uit het dossier volgt dat het weggenomen pakket even later door verbalisanten op straat is aangetroffen. Onderzoek aan het pakket wijst uit dat er 3,2 kilogram hennep in zat. Hoewel verdachte heeft verklaard niet geweten te hebben wat er in het pakket zat, oordeelt de rechtbank dat het gezien de hierboven geschetste feitelijkheden, waarbij verdachte zich met twee anderen met geweld wilde verzekeren van een pakket met een kennelijk waardevolle en verboden inhoud dat met behulp van een GPS-tracker werd gevolgd, niet anders kan dan dat verdachte minstens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er hennep in dat pakket zat. Hoewel verdachte het pakket zelf niet fysiek in handen heeft gehad volgt uit de bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten bij deze diefstal en deze samenwerking houdt tevens in dat er sprake is geweest van gezamenlijke beschikkingsmacht over het weggenomen pakket en de inhoud ervan. Conclusie Op grond van het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging en het medeplegen van het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. Partieel vrijspraak De rechtbank spreekt verdachte ten aanzien van feit 1 vrij van het tenlastegelegde schoppen tegen het lichaam, omdat het dossier hiervoor geen steunbewijs biedt.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 text/xml public 2026-05-19T12:23:55 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-03 13-239540-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 text/html public 2026-05-19T11:21:15 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4727 Rechtbank Amsterdam , 03-04-2026 / 13-239540-25 Veroordeling diefstal in vereniging met geweld van pakket uit bezorgbus en medeplegen van het voorhanden hebben van hennep. Gevangenisstraf en taakstraf. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/239540-25 Datum uitspraak: 3 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna: verdachte 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A. Schuttevaer, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de advocaat van de benadeelde partij, mr. B. Roodveldt, naar voren heeft gebracht. Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/239542-25). 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 9 september 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan 1. diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, van een pakket, toebehorende aan [aangever] en/of [bedrijf] ; 2. medeplegen van het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en 2. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft geen oogmerk gehad op de diefstal met geweld en heeft het pakket met hennep niet voorhanden gehad. Verdachte erkent dat hij met twee anderen naar Amsterdam is gereden om het pakket terug te halen, maar ontkent dat er sprake was van diefstal. Het was niet de bedoeling van verdachte om het pakket te stelen; hij was in de veronderstelling dat de bezorger het pakket had gestolen. Daarnaast wist hij niet wat er in het pakket zat. Op de beelden is te zien dat verdachte wordt vastgehouden door de pakketbezorger en dat het medeverdachte [medeverdachte] is die het pakket oppakt en wegneemt. Verdachte oefent het geweld alleen maar uit om zich los te trekken van de pakketbezorger. Tot slot blijkt niet dat verdachte op enig moment het pakket in zijn bezit heeft gehad. 3.3. Oordeel van de rechtbank Diefstal met geweld Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 9 september 2025 op de [plaats 1] naast zijn bestelbus stond toen er drie mannen op hem kwamen aflopen. Eén van de mannen zei: "Ik wil mijn pakket." Nadat [aangever] dit weigerde, stapte een man de bestelbus in. Toen [aangever] dit probeerde te voorkomen, is hij bedreigd, geslagen en geschopt. Een van de mannen heeft twee pakketten uit de bestelbus gepakt. Een getuige heeft beelden van het incident gemaakt en deze verstrekt aan de politie. De politie heeft deze beelden bekeken en ziet een man met een grijze jas en witte schoenen (NN1) die de [bedrijf] -bezorger vasthoudt, terwijl een man in een lichtblauwe trui (NN2) wegloopt met een zwart pakket. Even later geeft NN1 de [bedrijf] -bezorger meerdere vuistslagen in het gezicht en werpt hij hem op de grond, waarbij hij zelf ook ten val komt en de [bedrijf] -bezorger bovenop hem terecht komt. NN3, een in het zwart geklede man, trekt de [bedrijf] -bezorger van NN1 af, waarna NN1 de [bedrijf] bezorger weer enkele klappen geeft. Vervolgens neemt de [bedrijf] -bezorger afstand, waarna NN1 en NN3 weglopen. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij NN1 is en dat hij inderdaad geweld heeft gebruikt tegen de bezorger. Verder heeft hij verklaard dat hij voorafgaand aan het incident een vriend, ‘ [naam] ’, in [plaats 2] heeft opgehaald met de auto. Volgens ‘ [naam] ’ was een pakket van hem gestolen en bevond dit pakket zich in Amsterdam. Vervolgens zijn verdachte en ‘ [naam] ’ naar Amsterdam gereden, waarbij zij onderweg een korte stop hebben gemaakt om een Spaans sprekende vriend van ‘ [naam] ’ op te halen. ‘ [naam] ’ gaf aan dat zich in het pakket een GPS-tracker bevond, waarmee hij de locatie via zijn telefoon kon volgen. Op die manier zijn zij met zijn drieën bij de [bedrijf] -bezorger uitgekomen. Op grond van deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met geweld. Verdachte heeft de aangever vastgehouden, geslagen en op de grond gegooid, waarbij een van zijn mededaders het slachtoffer van hem heeft afgetrokken. Deze geweldshandelingen zorgden ervoor dat een andere mededader het pakket daadwerkelijk kon wegnemen. De geschetste gang van zaken – het afspreken, het gezamenlijk afreizen naar Amsterdam en het volgen van het pakket via een GPS-tracker om vervolgens gedrieën op de [bedrijf] -bezorger af te gaan – duiden op een vooraf gemaakt plan en uitvoering om het pakket weg te nemen. De rollen van de mannen waren hierbij onderling inwisselbaar. Het gebruik van (dreiging met) geweld moet hierbij zijn ingecalculeerd omdat niet te verwachten is dat een bezorger zonder identificatie vrijwillig een pakket aan iemand op straat meegeeft. Voorhanden hebben van hennep Uit het dossier volgt dat het weggenomen pakket even later door verbalisanten op straat is aangetroffen. Onderzoek aan het pakket wijst uit dat er 3,2 kilogram hennep in zat. Hoewel verdachte heeft verklaard niet geweten te hebben wat er in het pakket zat, oordeelt de rechtbank dat het gezien de hierboven geschetste feitelijkheden, waarbij verdachte zich met twee anderen met geweld wilde verzekeren van een pakket met een kennelijk waardevolle en verboden inhoud dat met behulp van een GPS-tracker werd gevolgd, niet anders kan dan dat verdachte minstens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er hennep in dat pakket zat. Hoewel verdachte het pakket zelf niet fysiek in handen heeft gehad volgt uit de bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten bij deze diefstal en deze samenwerking houdt tevens in dat er sprake is geweest van gezamenlijke beschikkingsmacht over het weggenomen pakket en de inhoud ervan. Conclusie Op grond van het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging en het medeplegen van het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. Partieel vrijspraak De rechtbank spreekt verdachte ten aanzien van feit 1 vrij van het tenlastegelegde schoppen tegen het lichaam, omdat het dossier hiervoor geen steunbewijs biedt.
Volledig
4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: op 9 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een pakket dat aan [bedrijf] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - naar die [aangever] toe te gaan en vervolgens tegen die [aangever] te zeggen “ik wil mijn pakket” en - vervolgens voornoemde [aangever] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je vermoorden” en - ( meermaals) bovengenoemde [aangever] tegen zijn gezicht en hoofd te slaan en stompen; Ten aanzien van feit 2: op 9 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3200 gram hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 5 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod. 7.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die voor het onvoorwaardelijke deel ten hoogste gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst feit Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. Op klaarlichte dag heeft hij samen met twee anderen, midden op straat, een bezorger met geweld van een pakket beroofd. De bezorger heeft zich in zijn eentje moeten verweren tegen die aanval en is daarbij hard geslagen. Dit zorgt voor een groot gevoel van onveiligheid, niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij toevallige getuigen. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid hennep voor handen gehad. Achteraf is gebleken dat deze diefstal met geweld gericht was op een pakket met daarin een hoeveelheid hennep. Dat toont aan dat drugsfeiten vaak samen gaan met geweld. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 november 2025. De afgelopen vijf jaar is verdachte eenmaal, in 2022, veroordeeld wegens een poging diefstal met braak. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 november 2025 en het rapport met betrekking tot het verloop van het schorsingstoezicht van 19 maart 2026. Daaruit is gebleken dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden aan de gemaakte afspraken en de opgelegde bijzondere voorwaarden. Hij heeft zich meewerkend en begeleidbaar opgesteld. Over de oplegging van gevangenisstraf heeft de reclassering negatief geadviseerd, omdat verdachte bij oplegging hiervan zijn uitkering en woning dreigt te verliezen. De reclassering adviseert verder om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, contactverbod (met de medeverdachte) en dagbesteding. Straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging wordt in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden vermeld. Voor het voorhanden hebben van 2500 tot 5000 gram hennep is het oriëntatiepunt een taakstraf van 180 uren. De rechtbank ziet in het positieve reclasseringsrapport en het belang van verdachte bij het behouden van zijn woning redenen om enigszins af te wijken van deze oriëntatiepunten. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod met medeverdachte, en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt – gelet op de persoonlijke omstandigheden en het positieve verloop van het toezicht van verdachte – dus een veel lagere vrijheidsbenemende straf op dan in vergelijkbare zaken. Gezien de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte naast deze straf ook een taakstraf van 180 uur dient te verrichten. 8 Beslag Onder verdachte is, het volgende voorwerp in beslag genomen: 3 STK Hennep (goednummer: BZAQ6820); 1 DS Doos (goednummer: BZAQ6809). 8.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen hennep moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bezit hiervan in strijd is met de wet. De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen doos moet worden verbeurdverklaard, omdat met dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan. 8.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen. 8.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de in beslag genomen hennep onttrekken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De doos zal de rechtbank verbeurdverklaren, omdat het feit met behulp daarvan is begaan. 9 Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [aangever] vordert een totaalbedrag van € 247,91 (tweehonderdzevenenveertig euro en eenennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: Eigen risico ( € 209,91); Ziekenhuisdaggeldvergoeding ( € 38,-). 9.1. Standpunt van de verdediging Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsvrouw, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd, omdat de benadeelde niet in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Indien de rechtbank benadeelde ontvankelijk acht, dient de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor een fors lager bedrag toe te wijzen en voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. 9.2.
Volledig
4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: op 9 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een pakket dat aan [bedrijf] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - naar die [aangever] toe te gaan en vervolgens tegen die [aangever] te zeggen “ik wil mijn pakket” en - vervolgens voornoemde [aangever] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga je vermoorden” en - ( meermaals) bovengenoemde [aangever] tegen zijn gezicht en hoofd te slaan en stompen; Ten aanzien van feit 2: op 9 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3200 gram hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 5 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod. 7.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die voor het onvoorwaardelijke deel ten hoogste gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst feit Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en het voorhanden hebben van 3,2 kilogram hennep. Op klaarlichte dag heeft hij samen met twee anderen, midden op straat, een bezorger met geweld van een pakket beroofd. De bezorger heeft zich in zijn eentje moeten verweren tegen die aanval en is daarbij hard geslagen. Dit zorgt voor een groot gevoel van onveiligheid, niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij toevallige getuigen. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid hennep voor handen gehad. Achteraf is gebleken dat deze diefstal met geweld gericht was op een pakket met daarin een hoeveelheid hennep. Dat toont aan dat drugsfeiten vaak samen gaan met geweld. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 november 2025. De afgelopen vijf jaar is verdachte eenmaal, in 2022, veroordeeld wegens een poging diefstal met braak. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 november 2025 en het rapport met betrekking tot het verloop van het schorsingstoezicht van 19 maart 2026. Daaruit is gebleken dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden aan de gemaakte afspraken en de opgelegde bijzondere voorwaarden. Hij heeft zich meewerkend en begeleidbaar opgesteld. Over de oplegging van gevangenisstraf heeft de reclassering negatief geadviseerd, omdat verdachte bij oplegging hiervan zijn uitkering en woning dreigt te verliezen. De reclassering adviseert verder om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, contactverbod (met de medeverdachte) en dagbesteding. Straf De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging wordt in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden vermeld. Voor het voorhanden hebben van 2500 tot 5000 gram hennep is het oriëntatiepunt een taakstraf van 180 uren. De rechtbank ziet in het positieve reclasseringsrapport en het belang van verdachte bij het behouden van zijn woning redenen om enigszins af te wijken van deze oriëntatiepunten. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod met medeverdachte, en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt – gelet op de persoonlijke omstandigheden en het positieve verloop van het toezicht van verdachte – dus een veel lagere vrijheidsbenemende straf op dan in vergelijkbare zaken. Gezien de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte naast deze straf ook een taakstraf van 180 uur dient te verrichten. 8 Beslag Onder verdachte is, het volgende voorwerp in beslag genomen: 3 STK Hennep (goednummer: BZAQ6820); 1 DS Doos (goednummer: BZAQ6809). 8.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen hennep moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bezit hiervan in strijd is met de wet. De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen doos moet worden verbeurdverklaard, omdat met dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan. 8.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen. 8.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de in beslag genomen hennep onttrekken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De doos zal de rechtbank verbeurdverklaren, omdat het feit met behulp daarvan is begaan. 9 Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [aangever] vordert een totaalbedrag van € 247,91 (tweehonderdzevenenveertig euro en eenennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: Eigen risico ( € 209,91); Ziekenhuisdaggeldvergoeding ( € 38,-). 9.1. Standpunt van de verdediging Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsvrouw, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd, omdat de benadeelde niet in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Indien de rechtbank benadeelde ontvankelijk acht, dient de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor een fors lager bedrag toe te wijzen en voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. 9.2.
Volledig
Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om de vordering ten aanzien van het eigen risico toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ten aanzien van de overige materiële schadepost dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze bedoeld is voor benadeelden die opgenomen zijn geweest in het ziekenhuis, en niet is gebleken dat benadeelde dat ook is geweest. De officier van justitie heeft verzocht om de vordering ten aanzien van het immateriële deel tot een bedrag van € 3.000,- toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.3. Oordeel van de rechtbank Materieel De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het eigen risico een bedrag van € 209,91 voor vergoeding in aanmerking komt. De schadepost van de ziekenhuisdaggeldvergoeding komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij minimaal 6 uur in een ziekenhuis is opgenomen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren, zodat die bij de civiele rechter opnieuw kan worden ingediend. Immaterieel De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in ieder geval lichamelijk letsel heeft opgelopen, waarvoor hij zich nog heeft gemeld in het ziekenhuis. Voor de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank aangesloten bij de Rotterdamse Schaal, die in de categorie ‘ernstige’ persoonsaantasting bij een straatroof met meerdere daders € 3.000,- schadevergoeding adviseert. Gelet hierop acht de rechtbank een schadebedrag van € 3.000,- billijk. De rechtbank zal het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Concluderend wordt een bedrag van € 3.209,91 (drieduizend tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025 tot aan de dag dat de hele vordering is betaald. Daarnaast zal de rechtbank in het belang van [aangever] voornoemd, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen. Hoofdelijk De verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd omdat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij de ander het hele bedrag al heeft betaald. De verdediging heeft de rechtbank verzocht deze hoofdelijkheid niet op te leggen, maar de rechtbank doet dat wel, omdat het financiële risico dat een mededader niet terugbetaalt bij verdachte en niet bij de benadeelde partij thuishoort. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen (9) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot zes (6) maanden , van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft. Stelt als bijzondere voorwaarden : Meldplicht bij reclassering dat veroordeelde zich meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Gedragsinterventie agressiebeheersing dat veroordeelde actief deel neemt aan de gedragsinterventie iRespect of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt; Dagbesteding dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden zoals hierboven genoemd en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt. Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde: 1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; 2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen . Beslag : Verklaart onttrokken aan het verkeer : 3 STK Hennep (goednummer: BZAQ6820) Verklaart verbeurd: 1 DS Doos (goednummer: BZAQ6809 Vordering benadeelde partij [aangever] Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 209,91 (tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en €3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 9 september 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 3.209,91 (drieduizend tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 32 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Volledig
Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de materiële schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om de vordering ten aanzien van het eigen risico toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ten aanzien van de overige materiële schadepost dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze bedoeld is voor benadeelden die opgenomen zijn geweest in het ziekenhuis, en niet is gebleken dat benadeelde dat ook is geweest. De officier van justitie heeft verzocht om de vordering ten aanzien van het immateriële deel tot een bedrag van € 3.000,- toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.3. Oordeel van de rechtbank Materieel De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het eigen risico een bedrag van € 209,91 voor vergoeding in aanmerking komt. De schadepost van de ziekenhuisdaggeldvergoeding komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij minimaal 6 uur in een ziekenhuis is opgenomen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaren, zodat die bij de civiele rechter opnieuw kan worden ingediend. Immaterieel De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in ieder geval lichamelijk letsel heeft opgelopen, waarvoor hij zich nog heeft gemeld in het ziekenhuis. Voor de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank aangesloten bij de Rotterdamse Schaal, die in de categorie ‘ernstige’ persoonsaantasting bij een straatroof met meerdere daders € 3.000,- schadevergoeding adviseert. Gelet hierop acht de rechtbank een schadebedrag van € 3.000,- billijk. De rechtbank zal het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Concluderend wordt een bedrag van € 3.209,91 (drieduizend tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025 tot aan de dag dat de hele vordering is betaald. Daarnaast zal de rechtbank in het belang van [aangever] voornoemd, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen. Hoofdelijk De verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd omdat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij de ander het hele bedrag al heeft betaald. De verdediging heeft de rechtbank verzocht deze hoofdelijkheid niet op te leggen, maar de rechtbank doet dat wel, omdat het financiële risico dat een mededader niet terugbetaalt bij verdachte en niet bij de benadeelde partij thuishoort. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen (9) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot zes (6) maanden , van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft. Stelt als bijzondere voorwaarden : Meldplicht bij reclassering dat veroordeelde zich meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Gedragsinterventie agressiebeheersing dat veroordeelde actief deel neemt aan de gedragsinterventie iRespect of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt; Dagbesteding dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden zoals hierboven genoemd en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt. Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde: 1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; 2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen . Beslag : Verklaart onttrokken aan het verkeer : 3 STK Hennep (goednummer: BZAQ6820) Verklaart verbeurd: 1 DS Doos (goednummer: BZAQ6809 Vordering benadeelde partij [aangever] Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 209,91 (tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en €3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 9 september 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 3.209,91 (drieduizend tweehonderdnegen euro en eenennegentig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 32 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.